Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bóven alles. ,,Ik zal aan ieder, die mij aanvalt, vragen, of hij aan Christus, als den eenigen juisten weg, de eenig deugdelijke waarheid ... al of niet gelooft". Anders kan de schrijver diens oordeel niet aanvaarden. Hij wil een vredesboek schrijven, maar maakt één uitzondering: hij wil „de zielen bewegen tot haat tegen barbaarschheid en zonde, om haar vrij te maken voor de liefde tot God en alle menschen". ^Vant dit is volgens Stratmann het eerst noodige in de beoordeehng van het oorlogsvraagstuk: dat men met Paus Benedictus XV een open oog heeft voor de vernietiging der menschelijke en christelijke gemeenschap op aarde, met de woorden van Benedictus zelf: „voor de vreeselijke slachting, die Europa onteert", „de somberste tragedie van menschelijke haat en menschelijken waanzin", „het broederbloed dat men vergiet", „gelijkend op zelfmoord van beschaafd Europa" (uitspraken van den Paus uit de jaren 1915 en 1916).

De oorlog, zegt Stratmann, was geen „bankroet van het Christendom", want het Christendom was niet meer de leidende geestesmacht in Europa; maar de oorlog was een bewijs, (en hierin ligt de schuld der kerk) dat „wij niet sterk genoeg zijn geweest om de heilige burcht van onze christelijke moraal tegen andere, vijandelijke geestesrichtingen te handhaven, omdat wij ons door anderen van onze plaats lieten dringen". Welke waren die vijandige richtingen? Stratmann wijst met Max Scheler o.a. op „het gif van nationalisme", dat de Europeesche ziel doortrokken had en daar de idee der menschheid doodde.

„Het is een onbetwistbaar bewijs voor de zwakheid der christelijke overtuiging en belangstelling, wanneer, zooals in den wereldoorlog, het hart der christenen boordevol is met nationaal gevoel en b.v. de politieke ondergang der natie veel, veel betreurenswaardiger wordt gevonden dan de godsdien'

stige en zedelijke ondergang van onnoemlijke massa s christenen Dat is

een schande!"

Men spreekt niet over de afgrijselijkheid van den oorlog, gaat Stratmann voort; men wil elkander de schildering sparen. Doch dit is verkeerd opgevatte barmhartigheid. Juist ter wille der barmhartigheid („het humanitaire en het christelijke vloeien in elkander") moet men de volle realiteit blootleggen.

„Onbeschrijfelijk is het tafereel der slagveldén. Mannen worden hyena's, niet omdat zij zelf een hyena-natuur meebrachten, maar omdat de verschrikkelijke macht, die zij moeten dienen, de menschen met de kracht van een machine of van een duivel tot de meest onmenschelijke handelingen, als aanvallen met handgranaten en bajonetten dwingt. Hoe onvergelijkelijk dragelijker is het slachthuis der dieren dan het slagveld der menschen. Bij de schildering daarvan is geen overdrijving mogelijk".

Hoe durft gij, vraagt de katholieke schrijver, nog gewagen van het „dappere soldatenleven" en van „kranige cavalerieaanvallen" enz. 4

Sluiten