Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Jeugdkerk in 1921, in het Noorsche kerkje.

goddelijke macht. Ik was erg dankbaar te hooren, dat ik niet dus mijzelf erg naar voren geschoven had. Alles bij elkaar genomen zou men het maar wagen met mij.

Intusschen had ik een aanvraag om op beroep te komen spreken (ik was net afgestudeerd) ergens in Zeeland. Zoodat er weldra een beslissing genomen moest worden of ik in Rotterdam zou komen, ja of neen. Het eerste gebeurde. — De volgende dienst zou zijn in het Noorsche kerkje. Dat was een enorme vooruitgang. Plotseling vestigde zich in deze omgeving voor eens en altijd onze Jeugdkerk-liturgie, die eigenlijk nooit meer veranderd is en door talrijke jeugdkerken overgenomen.

Jaap Callenbach — nu een pianist van reeds eenigen naam — werd, 15 jaar oud, organist. Spoedig voegde zich bij hem als vioolspeler Jan Droogleever Fortuyn. Dit laatste ging niet vanzelf. Jan, 13 jaar oud, zou viool spelen. Het systeem van de Jeugdkerk is altijd geweest, zooveel mogelijk de jeugdkerkers zelf aan het werk te zetten. Ik juichte dit dus toe. Maar hield mijn hart wel een weinig vast voor dit knaapje. Het liep heel treurig af. De viool klonk erg valsch. Ik moest voor de medewerking bedanken. Maar toen keek Jan mij zoo meewarig aan, terwijl hij vrójig* het nog eenmaal te mogen doen, dat ik niet

Sluiten