Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door Zijn Geest vernieuwt, dan rusten wij ook inderdaad door Gods genade op het Woord als op het Getuigenis van onzen getrouwen God en Vader om Christus' wil. Alleen zóó handhaven wij de volstrekte autoriteit van Gods Woord. Daarom moeten we 't ook aandurven, zooals ik reeds zeide, om niet te spreken van een „zedelijk" gezag des Woords en dus het gezag in laatster instantie te doen rusten op het geweten of het hart van den mensch, maar om eenvoudig te zeggen met de profeten van ouds: „Alzoo spreekt de Heere."

En wat nu de historisch-critische vraag betreft, wij moeten het m. i. hierover eens worden, dat deze in elk geval komt in de tweede plaats. De Christentheoloog komt met zijne eigene geloofszekerheid óók tot de wetenschap der theologie, geheel zooals ook alle hervormers daarvan zijn uitgegaan zonder nog eene dogmatisch in elk opzicht precies-omlijnde Schriftleer te hebben gegeven. De Christen-theoloog kan en mag dus niet anders uitgaan dan van de H. Schrift als Gods Woord, waarvan de H. Geest in zijn hart getuigenis geeft, en hij mag dit primaire feit niet afhankelijk gaan stellen van een zgn. „bloot-wetenschappelijk" onderzoek. Gods Woord blijft voor hem Gods Woord, autopistos zoowel in de school (de wetenschap) als in de Kerk. En zoo zal het getuigenis des Geestes, dat hij in zich bevindt, vanzelf reeds aanstonds de kwesties, die hier rijzen, doen zien in een ander licht, terwijl ook die kwesties zelve uit den aard der zaak tot bepaalde grenzen zullen worden beperkt. Dat hier echter velerlei vragen en moeilijkheden kunnen opkomen, zij volmondig toegegeven. Het getuigenis des Geestes is niet van dien aard, dat daarin om zoo te spreken een geheele, dogmatisch precies bepaal-

Gods wet en 's mensehen verantwoordelijkheid tegenover het verslappende subjectivisme (resp. antinomianisme) van onzen tijd. Vg. Joh. 15 : 22 en Rom. 1 : 20

Sluiten