Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en evenals letterlijke besnijdenis en offeranden slechts schaduw van de werkelijkheid.

Dat Paulus steeds op Sabbat in de synagoge was, waar Joden zoowel als heidenen plachten te komen om aangaande God en Zijn dienst te hooren is zeer natuurlijk, omdat hij daar gelegenheid had Jezus te verkondigen ; wij vinden echter nergens vermeld, dat hij met de gemeente op dien dag samenkwam, of dat hij ooit geleerd heeft, dat deze dag onderhouden moest worden.

De vermaning in Matth. 24 : 20, dat zij zouden bidden, dat hunne vlucht niet zou geschieden des winters noch op eenen sabbat, zegt niets anders dan dat deze vlucht door winter of sabbat zeer bemoeielijkt zou worden, denk slechts aan het sluiten der poorten, het ontbreken van vervoermiddelen etc. op den sabbatdag. Het sterkste wat deze tekst dus bewijst is, dat de sabbat ten tijde der verwoesting van Jeruzalem nog zou gehouden worden ; dat dit echter nog geschieden zou door de discipelen is uit den tekst niet te lezen, veel minder een gebod voor onzen tijd.

Zoo zoeken wij, zoowel vóór de woestijnreis als na Christus' komst op aarde tevergeefs naar eenig sabbatsgebod of straf op deszelfs overtreding terwijl alle andere geboden ook in beide tijdsperioden vermeld worden, geboden, die het karakter Gods dragen en een kenmerk moeten zijn der geloovigen.

DE RUSTE GODS.

Het glanspunt der sabbatverklaring wordt bereikt in den Hebreër-brief waar de Geest, duidelijker als in eenig ander gedeelte der Schrift, de schaduwen, bestaande in voorbeeldingen, die op Christus en Zijn werk zagen, verklaart. Terwijl in Hebr. 1 de Zoon als het hoogste wez^n beschreven wordt, dat zelfs door alle engelen wordt aangebeden, terwijl aangemerkt wordt dat God vroeger door de profeten sprak, wordt in Hebr. 2 : 1 er nadrukkelijk op gewezen, dat we nu Hem zullen hooren. De wet, die door bestelling der engelen in de hand van Mozes gesteld is, is volgens

Sluiten