Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrijheid namen haar te schrijven, hier weer te geven, bij wijze van inleiding:

v;*!ï' x" Nancy, 12 Nov. 1888.

Mevrouw!

Zoo juist las ik met pijnlijke belangstelling uw boek getiteld: „Fantömes et Realités" (Schimmen en Werkelijkheden), idat in 1870 verscheen. Mag ik zoo vrij zijn U beleefd als mijn meening te kennen te geven, dat U, na zulk een boek geschreven te hebben, aan Uw lezers van 1870 toch wel eenige verklaring schuldig waart van Uw overgang tot het RoomschKatholicisme? Op bladzijde 172 handeldet gij op welsprekende wijze over de verzoekingen die „de Duivel" aan Protestantsche Christenen van Evangelische belijdenis kon voorhouden om ze tot het Roomsch-Katholicisme over te halen. Gij beweerdet het machtwoord te bezitten dat dien „Duivel" op de vlucht jaagt. En toch, Mevrouw, zijt ge in de macht van dien „Duivel" gevallen. Gij hebt die leerstellingen, die, naar uw eigen woorden, „Jezus een deel Zijner heerlijkheid ontnemen", aangenomen. In 1870 schreeft gij: „Hoe zouden wij, ziende op Uw kruis, er in kunnen toestemmen, aan een schepsel de namen te geven, waaronder men U zoovele malen heeft aangeroepen, o Toevlucht der zondaren, Trooster der bedroefden, Hulpe der ellendigen, Poort des hemels, blinkende Morgenster I" *)

En nu ge Roomsch-Katholiek geworden zijt, Mevrouw, zijt ge nu niet verplicht tot de Maagd Maria dezelf de litanieën op te z enden, die U vroeger ergerden?

Nogmaals, Mevrouw, gevoelt gij U niet gedrongen

i) Roomsch Kerkboek, Litanieün der H. Maagd.

Sluiten