Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te zenden, dat, naar ik hoop, U bewijzen zal, dat ik niets vergeten ben van datgene, wat altijd den grond van mijn geloof en mijn leven uitmaakte.

Welke ook mijn vroegere illusies mogen geweest zijn over eert Kerk, die al meer en meer den weg der afgoderij opgaat, zoolang ik er vrijuit kan spreken over Gods Woord en de zaligmakende genade, zal ik mij heenzetten over de gevoelens van bitterheid die mij dikwijls overstelpen, met de gedachte dat God overal „getuigen" moet hebben, en dat er „een volk" is dat Hem toebehoort en toch in Babel gevangen zit

In de verwachting U binnenkort uitvoeriger te kunnen schrijven, verzoek ik U, Weleerwaarde Heer, de verzekering te willen aanvaarden van mijn zeer eerbiedige gevoelens in Hem, die de Verlosser der Christenen is, onverschillig welken bijkomstigen naam dezen ook mogen dragen.

Eugénie Peyrat.

Parijs, Maandag 19 Nov. 1888.

Weleerwaarde Heer!

Overeenkomstig mijn belofte kom ik op de zaak terug en nu zal ik U in enkele woorden de motieven van mijn overgang tot het Roomsch-Katholicisme schetsen.

Indertijd heb ik godsdienstonderwijs genoten van Ds. Coquerel Sr.; Gode zij dank heb ik echter, mede door dert invloed van de Heeren Grandpierre en Adolphe Monod, de geweldige leemten van dit onderricht spoedig begrepen en gevoeld. Ik behoorde dus wel tot het meest „orthodoxe" Protestantisme, toen ik de vrouw van een predikant werd. Onder deze omstandigheden, en