Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tegenover alle redeneeren en tegenover alle „bewijzen" houdt men zijn bezwaren. Het ligt voor de hand deze bezwaren tegen het geloof in 3 groepen te verdeelen: er zijn bezwaren van het verstand, van het gevoel en van den wil. Van alle 3 wil ik iets zeggen. Ik begin met de laatste groep, omdat ik van meening ben, dat het wilsbezwaar vaak aan de andere bezwaren ten grondslag ligt. Nu is dit wilsbezwaar in zekeren zin het moeilijkst aan te wijzen, omdat het vaak zich onbewust gelden doet. Men beseft: als er een God is, dan is Hij de heilige; dan moet er allerlei verkeerds en onheiligs uit het leven worden weggedaan, waarmee men niet breken wil! Dit stelt men zich niet klaar voor oogen, maar instinctief beseft men het. En nu moet de gedachte aan God uit de ziel worden verbannen! En straks meent men misschien verstandelijke bezwaren en gevoelsargumenten te hebben, waardoor men niet aan God gelooven kan, en het is in den grond der zaak dat instinctieve besef, waardoor men niet gelooven wil. Het spreekt van zelf, dat dit wilsbezwaar vaak acuut kan zijn. Ik bedoel daarmee: het gaat vaak om één bepaalde zonde, die men niet opgeven wil. Die ééne zonde, welke het dan ook is, houdt men aan. En nu wordt van twee kanten het geloof aan God bedreigd. Rechtstreeks: want wie het kwade wil doen, die dringt opzettelijk de gedachte aan God terug. „Er is geen God," zoo zal hij zeggen, om voor zijn zonde vrije hand te krijgen. Maar ook indirect — en dit is dieperen ernstiger: Door het kwade

Sluiten