Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de opheffende kracht van God is in het persoonlijke en in het sociale leven.

Mijn derde opmerking geldt het bewijs van het bovenstaande uit het

innerlijk leven van den zeeman.

Waar is de naïeveling, die hier met Psalm 107 als antwoord denkt klaar te zijn? Ons hart kan vol schieten, bij 't bedenken, hoe 't nü is in de werkelijkheid, en hoe 't daar heet: „zij, die de zee bevaren, op schepen, rijk bevracht, zien op de groote baren, Gods wijsheid, gunst en macht. Daar leeren zij de daan des Heeren klaar bemerken. En in die diepe paan Zijn groote wonderwerken".

Al zeldzamer worden figuren als die trouwhartige Scheveninger, die tijdens een zwaren storm op de Noordzee mij (op het hospitaal-kerkschip was 't) de hand even drukte, en zei: „wij drijven op Gods barmhartigheid".

Vroeger zeide 't spreekwoord: „wie niet bidden kan, worde zeeman". Tegenwoordig geldt veeleer: wien men 't bidden wil afleeren, worde naar zee gezonden".

Waarom ga je niet op de groote vaart? vroeg ik eens 'a Katwijker, die klaagde over z'n schamele vooruitzichten. En de man zei: „dan ga ik er geestelijk heelemaal aan, ik heb er geen kracht genoeg voor, om staande te blijven, en ik wil toch niet los van God".

Psychologisch vertoont de doorsneê-zeeman de typische onttakelingstrekken van dezen dag.

De zielen zijn vermécaniseerd en vermaterialiseerd. De groote massa leerde zich beschouwen als menschenmateriaal, waaronder de enkeling geen persoonlijkheid, maar slechts nummer is. Tijdens den oorlog is voor het bewustzijn der massa de zedelijke wereldorde ontwricht, door het sollen met en het vertrappen van de groote en volstrekte zedelijke waarden. De groote staten wrongen alles om naar het nationaal eigen-belang, en de wet is in vervulling gegaan, dat een koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, verwoest wordt.

Sluiten