Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer men een nauwkeurige, en vooral ook statistisch nauwkeurige, beschrijving geven kon van de lotgevallen der Nederlandsche afdeeling, sedert hare oprichting in 1867, dan zou deze misschien eenigermate teleurstellen. In ons vaderland was van den beginne af de Alliantie geen volksbeweging. Aanvankelijk waren het vooral de hoogere standen die er aan meededen; en al is dit in latere jaren veranderd, nooit heeft men in ons land de Alliantie zien bloeien, of haar gevoeld als een zaak van het hoogste belang voor het heele Christendom in Nederland. Toen in 1927 (eigenlijk een jaar te laat), te Londen het 80-jarig bestaan der Alliantie met eenige plechtigheid werd gevierd, heeft ook de Nederlandsche afgevaardigde bij die gelegenheid het woord gevoerd. In zijn toespraak, die later is opgenomen in het orgaan „Evangelical Christendom", heeft hij gezegd, dat Nederland ten opzichte van de Alliantie het land is „der kleine dingen", die men echter niet gering moet achten. Zoo is het ook; stil, vaak haast onopgemerkt is zij blijven voortbestaan. De kerkmuren zijn in Nederland hoog en het kost moeite te gelooven dat buiten eigen muren ook nog menschen, ja zelfs broeders wonen. Zeker, men geeft het toe in theorie, maar het ook, in voortdurende werkelijkheid, blij te beleven, is nog iets anders. Toch werd en wordt nog elk jaar de week der gebeden gehouden. Meestal werden de programma's uit het Engelsch vertaald, waarbij wel eens bleek, dat het Engelsche cachet een beetje hinderlijk was; maar ernstig vond men dit bezwaar niet. Telken jare bracht deze week der gebeden vele voorgangers en leden van verschillende kerken met elkaar in aanraking, hier en daar werden banden gelegd, werd vertrouwen gekweekt. Vaak werd het doel der Alliantie miskend, haar bescheiden geluid werd overstemd, maar zij was er toch en bleef er; ondanks alles. En met baar stille rustige arbeid, getuigde zij van een der innigste en heiligste beginselen van het Christelijk leven.

Natuurlijk was er nog iets dat voor het leven der Alliantie, in eerste aanleg, bij ons niet bevorderlijk was en dat was het feit dat veel arbeid, die zij ondernam, die aan haar oprichting den stoot gegeven en waarin haar heele wezen sprak, eigenlijk in ons land niet gedaan behoefde te worden. De godsdienstvrijheid bij ons, het overwegend protestantsch karakter van ons volk, bracht mee dat hier geen verdrukten waren, waarvoor de Alliantie, gelijk elders, behoefde op te komen. Het eenige wat de Alliantie ons vaderland leeren kon, leeren moest en nog moet is, dat het geloofsartikel: „Ik geloof

Sluiten