Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Laten we trachten, eerst het ontstaan dier beweging te zien en te verstaan, alvorens wij Barth er tegen zien optreden.

Er is een tijd geweest, dat de andere mogendheden aan Duitschland de eer gunden van te zijn het land der denkers en dichters, maar politiek verscheurd en machteloos — zóó konden zij zelf des te meer macht uitoefenen. Onder Bismarck is een nieuw Duitschland ontstaan met groote politieke macht, sterk nationaal gevoel en niet zonder nationale zelfverheffing. De vrede van Versailles bracht een geweldigen ommekeer teweeg. Duitschland werd vertrapt, gebrandmerkt als „de groote misdadiger", de zondebok, die alle schuld aan den oorlog zou hebben. De partijen, die het meest internationaal voelden: sociaaldemokratie en centrum, kwamen er aan het roer. Wie in Duitschland nationaal voelde, leed bitter onder die krenkingen. De regeeringen, die het had, slaagden er niet in, Duitschland uit de ellende op te heffen, hoewel hetgeen ze zonder machtsmiddelen bereikten, in het oog van een buitenstaander niet onbelangrijk was. De nationaal voelende elementen zaten vooral in de Protestantsche Kerk, in het meer belijdende gedeelte. Maar ook ongeloovigen waren er genoeg, die niet of nauwelijks in God, maar zeer in Duitschland geloofden.

De reactie op de bittere ellende en de krenking van het nationale gevoel was het nationaal-socialisme. De veer, die lang neergehouden was, snelde ineens omhoog. We zagen de nationale regeering het parlement opzij zetten, de partijen vernietigen, een nieuwe orde van zaken instellen en zich vooral wenden tegen de Joden, in wie men een der hoofdoorzaken van de ellende vermoedde, als een vreemd ras, dat zich als een parasiet in het Duitsche volk had ingedrongen en het bedierf.

Groote geestdrift was er; de nieuwe beweging beschouwde men als een werk van God, het herstel van het volk de groote taak van heden, door God aan Duitschland opgelegd. Mocht de Kerk zich afzijdig houden? Neen, de Kerk moest mee, vrijwillig of gedwongen, ze mocht nu vooral niets anders op het oog hebben dan het herstel van Duitschland. Daartoe kon men geen zeven-en-twintig afzonderlijk bestaande landskerken gebruiken; 't moest één groote Rijkskerk worden; en in die Rijkskerk moest men niet door weerbarstige Synodes worden teruggehouden. Eén Rijksbisschop moest er zijn in de Kerk, gelijk er in Duitschland één groote leider was,

Sluiten