Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen als „Duitsch" wil laten gelden — ajn eigen Christendom. En dat er zelfs onder de „Duitsche Christenen" geweldig verschil bestaat, hebben de laatste gebeurtenissen duidelijk getoond. De groote fout is, dat men niet van Gods Woord uitgaat, maar van het feit, dat men door Gods schepping Duitscher is. Boven hebben we gezien, hoe de Schrift het verschil der volken beschouwt als een gericht over de gezindheid der menschen, die zich uitte in den torenbouw te Babel.

Hier staat Barth dus principieel tegenover alle vermenging van Christelijk met nationaal. Niet in eenige nationale beweging maar in het Woord hebben we den wil Gods te vinden.

Nu zou men geneigd zijn, aan Barth de vraag te stellen: moet de Christen dan zijn „in een hoekske met een boekske"? Gaat hem dan niet aan de groote beweging, die in het volk gebeurt? Staat de overheid en dat allés buiten God? Des te meer zou die vraag gesteld kunnen worden, daar Barth in zijn boek over den brief aan de Romeinen bij H. 13 zich al zeer eigenaardig aangaande de Overheid heeft uitdrukt, en de vermaning om haar onderdanig te zijn in verband brengt met het slot van het voorgaande hoofdstuk: Laat u niet door het kwade overwinnen, maaar overwin het kwade door het goede l Toch erkent Barth hier uitdrukkelijk de inzetting der Overheid door God; ook leert hij, dat God den mensen ook als staatsburger roept; en in zijn colleges over ethiek vond ik die eigenaardige opvatting uit zijn „Römerbrief" niet. Misschien zou hij tegenover de Duitsche Christenen nog sterker gestaan hebben, indien hij nog meer den nadruk daarop gelegd had, hoe de Kerk ook de overheid onder Gods Woord plaatst. Art. 36, en het daaraan beantwoordende artikel 30 in de Confessie» Helvetica Posterior geven hier ook aan den Zwitser Barth evenals aan ons goede vingerwijzing. Tegenover in den grond heidensche Staatsvergoding staat: Vreest God, eert den koning. Gij koningen der aarde, neemt wijsheid aan tegenover den gezalfde Gods.

Een bijzonder accent krijgt het conflict over de Kerk — nationaal of in goeden zin internationaal — in de kwestie Jood-Ariër. In het schandaal in de Pruisische Synode, waar men tegen den absoluten tegenstand der minderheid de Ariër-paragraaf heeft doorgedreven, is deze kwestie zeer acuut geworden. Nu moet men ook hier begin-

Sluiten