Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groepen, waarbij hij thuis behoort. Het „geestelijk Ministerie'*, dat den Rijksbisschop ter zijde staat, is vernieuwd. Alleen de gereformeerde Weber is er in teruggekeerd. Zal hij genoegzaam tegenwicht tegen Müller kunnen bieden, wanneer het er om gaat te behouden, wat de Gereformeerden verkregen hebben? Zal Müller, die tegen „links'' zoo scherp heeft moeten optreden, tegen „rechts" zacht blijven? Karl Barth waarschuwt voor een te vroeg juichen. Zelfs al wordt de Ariërparagraaf op zij gezet, die is niet de hoofdzaak. De grondfout ligt daarin, dat men naast de openbaring Gods in de Schrift nog een andere openbaring aanneemt, namelijk die in den gang der geschiedenis in het volksdom; en thans in hetgeen God door Hitier aan het Duitsche volk gedaan heeft. Zoolang het op dit punt niet tot ommekeer komt, is de Zaak niet in orde.

Nu is het zeker waar, wat E. Hirsch aan Barth tegenwerpt, dat ook volgens Calvijn God in de natuur en in de geschiedenis spreekt; maar die openbaring staat aan duidelijkheid ver ten achter bij de openbaring in de Schrift; en wanneer Luther telkens zegt: We hebben God niet anders dan Zijn Woord, dan is daarmee niets anders bedoeld dan het uitwendige, geopenbaaarde Woord Gods.

Het gaat er om, of het nationalistische element bepalend op de prediking van het Evangelie inwerkt, dan wel of het Evangelie al het andere bepaalt. Het gaat in den grond der zaak om de prediking van Christus, van de genade.

Hoe het verder ook moge loopen, op dit punt moet de beslissing vallen. Hoe hef iemand zijn volk, zijn ras, zijn vaderland moge hebben, hij wachte zich in dezen voor afgoderij. En overal, waar het nationale leven ontwaakt, hoe verblijdend het moge zijn als de kring der gedachten ruimer wordt dan geldzucht en genotzucht, dat groote gevaar voor afgoderij blijft bestaan. De volken moeten onder Gods gericht. Zóó alleen is er zegen, ook voor het volksleven.

De beweging in Duitschland doet de vragen levend worden naar de wijze van Gods openbaring. Ze doet ons vragen naar de beteekenis van het kruis. Ze doet ons ook vragen naaf de verhouding van het Evangelie tot het openbare leven. De vraag naar de verhouding van de zichtbare tot de onzichbare Kerk wordt aan de orde gesteld. In hoever moet men bij de wijze van prediking rekening houden met den volksaard ? Wil de Kerk in de eerste plaats Kerk van Christus zijn, of nationale Kerk?

Sluiten