Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alsof de vrees dat men verloren kan gaan, niet meer zulk een beklemming legt op de harten van velen. Er zijn veel Christenen in onzen tijd die wel niet zeker zijn, maar die zich toch ook niet ongerust maken. Het lijkt wel alsof ze heimelijk altijd leven met de gedachte: het komt met mij nog wel terecht. Deze gedachte kan terugwijzen naar een zeer groote oppervlakkigheid van denken en leven. Men neemt God niet meer zoo ernstig en men neemt het gericht van God niet meer zoo ernstig. Toch behoeven wij andererzijds niet terug te verlangen naar de „bekommerdheid" waarin zoo velen in vroeger dagen zich vaak tijden lang als gekoesterd hebben.

De Bijbel wijst ons een heel anderen weg. Het is opvallend dat de Bijbel zoo weinig van de bekommerdheid te vertellen heeft. De menschen die we ontmoeten in het Nieuwe Testament zijn alle volkomen zeker van hun geloof en ook volkomen zeker van de gave des Heiligen Geestes. Zij hebben den Heiligen Geest ontvangen, ze zijn vervuld geworden met den Heiligen Geest, niet eenmaal, maar meerdere malen (Hand. 2, Hand. 4 : 31,10.: 44,13 : 52 enz.), en die gave des Heiligen Geestes hebben zij voor zichzelf gezien als een zegel, als een onderpand van God (2 Cor. 1 :22, 2 Cor. 5 : 5, Efeze 4 : 30). Zoo vinden wij in de eerste gemeente dus een groote geloofszekerheid, en de Apostelen wel verre van deze zekerheid te ondermijnen, hebben haar aan alle kanten versterkt en verdiept, door te wijzen op de grootheid der liefde van Christus.

Slechts eenmaal vinden wij in de brieven van Paulus de aansporing om zichzelf nauwkeurig te onderzoeken of men wel in het geloof is (2 Cor. 13 :5), en dat is in den brief aan de gemeente die wel heel veel aanleiding tot deze vermaning gegeven had. Het geloof is eigenlijk van nature zekerheid en sluit dan ook allen twijfel en bekommerdheid als vanzelf uit. De mensch in wien die zekerheid ontbreekt, die aldoor over de echtheid van zijn geloof in twijfel is, mist iets zeer wezenlijks, en heeft daarom alle reden om ernstig te zoeken naar die verlichting des Heiligen Geestes, die den geloovigen geschonken wordt. In het algemeen genomen komt heel deze bekommerdheid voort uit een te sterk zien op zichzelf, op eigen gemoedstoestand en stemmingen, en een te weinig zich kinderlijk vasthouden aan het Woord van God. Daarom kunnen de bekommerden vaak zoo weinig geholpen worden met het opsommen van allerlei „kenteekenen", en nebben ze zoo dringend

Sluiten