Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was ik de oudste. En, terwijl het heil van Kerk en Hoogeschool mij dringend gebood aan mijne beide hoog geschatte Medebroeders het langst mogelijke leven toe te wenschen, verbood mij toen reeds alles te verwachten of te hopen, dat ik nog vele jaren deelgenoot van hunn' arbeid zou mogen blijven.

Wat intusschen niemand, wat ik allerminst had kunnen vooruitzien, is thans gebeurd; en wij aanbidden daarin 's Heer en ondoorgrondelyken en onnagaanbaren raad. Onze, bij Ambtgenooten en Leerlingen, ja! bij allen, die hem kenden, even zeer vereerde Vriend royaards had nog onlangs, met dankzegging aan God, zich mogen verheugen over het gevoel van gezondheid, dat hij genoot, en over de gemakkelijkheid, waarmede hij; nu vooral, zijn werk verrigten konde. Maar daar wordt hij, in de allerlaatste dagen van het verloopene jaar, plotseling door eene zeer hevige krankte aangetast. En naauwelijks waren wij met hem, die reeds bijna zieltoogde, dit jaar ingetreden, of wij gevoelden ons allen door het smartelijke herigt, dat hij bereids bezweken was, als het ware verpletterd.

Uitgenoodigd om al aanstonds de tolk te zijn van het leedgevoel, dat allen bezielde, plaatste ik, onder dagteekening van den vierden Januarij j. I., in de Utrechtsche Provinciale en Stads-Courant, dit korte en kunstelooze verslag, zoo als het uit een diep geschokt gemoed voortvloeide.

«Eergisteren avond werd onze Stad en Hoogeschool in den

Sluiten