Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O Toehoorders! als wij de wreede Godsdienst-vervolging in andere landen reeds het bloedige hoofd om hoog zien heffen, en ons van nabij bedreigen; — wie moet dan niet den dag, die both hendriksen, den dag bovenal, die royaards ons ontnam, smartvolle treurdagen noemen?

Maar daardoor, gelijk wij eindelijk met volle overtuiging zeiden, was de ontslapene Hoogleeraar zulk een helder licht der Christelijke Kerk, dat hij zelf van Christus Geest verlicht werd. Het is waar, dat ook op hem geheel toepasselijk was, wat al Uwe Leeraren gaarne met den Apostel paollüs belijden: Wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der tcracht Godes zij, en niet uit ons (1). Maar niet minder waar is, wat mijn hoog geschatte Ambtgenoot, wiens leven en krachten wij vurig bidden, dat lang tot heil van Kerk en Hoogeschool gespaard en ondersteund mogen worden; — niet minder waar is, zeide ik, wat mijn Ambtgenoot, bij het graf van den alge-

Echtgenoote, ' Schoonzoon van den Heer en Mr. wilt.em jan both hendriksen, Lid van den Raad der Stad Utrecht; die, slechts drie dagen vóór hem, d. 30 December 1853, in den ouderdom van ruim 73 jaren, ons ontrukt werd. Deze laatste had, sints eene reeks van jaren, vooral tot vestiging, in stand houding en uitbreiding der straks aangeduide Maatschappij ter bevordering van welstand enz., zich ongeloofelijk veel moeite laten welgevallen. Van nabij getuige zijnde van zijne standvastige pogingen, verwonderde ik mij menigmaal, hoe niets, dat tot bewaring onzer kleine Gemeenten strekken kon, zijn oog en zijne zorg ontging. (1) 2 Corinthen IV: 7.

Sluiten