Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den ijdelen waan koesteren, dat, dewijl sommigen, die zeer sterk zijn, zeventig of tachtig jaren bereiken, zijn ligchaamsbouw of spierkracht hem hetzelfde geluk verzekert of althans mag doen hopen. En vergeten wij niet, hoe menigmaal de krachtvolste menschen het eerst bezwijken voor het geweld dier hevige ziekten of slepende kwalen, die het hoofd van ouden en jongen, van sterken en zwakken, steeds gelijkelijk bedreigen. Zoo behoort dan, gelijk reeds te regt een Schrijver der oudheid zeide, geheel het leven van den wijzen mensch (hoe veel meer dat van den bedachtzamen Christen!) overdenking van den dood te wezen. En op ons aller lippen, in ons aller harten, moet steeds des wijzen Dichters bede wonen: Heere! maak mij mijn einde bekend, en welke de maat mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij (1).

Leefde onze godvruchtige Voorganger korter, dan wij hadden kunnen vooruitzien; een langer levensperk hadden wij voorzeker hem toegewenscht. Of, zoo als ik liever had moeten zeggen, om onzen wille hadden wij gewenscht, dat hij veel langer nog in ons midden had mogen verkeeren en werken. Immers, wat onzen ontslapen' Vriend zeiven aangaat, het gemis van dit ondermaansche aanzijn wordt nu reeds, veel meer dan wij ons voorstellen kunnen, hem door het genot van dat hemelsche leven vergoed, dat voor den Christen alleen het eigenlijke leven is. Heeft bij hier op aarde

(t) Psalm XXXIX: 5.

Sluiten