Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de vreugde zijner medemenschen; heiligde door zijne tegenwoordigheid eene bruiloft; zat ter maaltijd aan bij Fariseën, zoowel als bij tollenaren, om beide door zijnen omgang te verbeteren; ontving met zachtmoedigheid afgedwaalde zondaren en zondaressen, om ze teregt te brengen, en nam elke gelegenheid, die zich aanbood Ijverig waar, om menschen aan het verderf der zonde te ontrukken. Eu toen de donkere lijdensnacht, dien hij wist, dat over hem zoude komen, naderde, ontweek hij den strijd niet, gaf zich gewillig over in de handen zijner doodvijanden, en schonk der wereld onder alle lasteringen, onder alle smart, bij de schandelijkste verguizing, het voorbeeld van onbezweken geduld, van onbezwekene liefde, van onbezweken vertrouwen op God. Zwoegende onder zijn kruis, klonk zijne waarschuwende stem nog der verblinde volksmenigte tegen; aan het vloekhout genageld, bad hij voor zijne moordenaren; zorgde nog voor zijne moeder; troostte den boetvaardigen kwaaddoener; juichte in zijn volbragt werk en beval zijnen geest in de handen van zijnen Hemelschen Vader.

Wij hebben enkele trekken uit Jezus leven opgezameld, om als in eenen spiegel te doen zien, hoe zondeloos, heilig en volmaakt hij als mensch was. Kennen wij niet alle bijzonderheden van zijn leven, hetgeen wij er van kennen, waarborgt eiken onbevooroordeelde, de vlekkelooze reinheid van Jezus, welke nog daarenboven bevestigd wordt door zijne eigene verklaringen en de getuigenissen van anderen. Jezus was zich helder bewust van zijne volmaakte heiligheid. Daarom kon hij niet alleen bij anderen met de grootste vrijmoedigheid de zonde bestrijden en veroordeelen, maar ook, zonder grootspraak, aangaande zich zeiven verklaren: „Ik doe altijd, wat den Vader behagelijk, is," Joh. 8 vs. 29, en tevens, te midden van vrienden en vijanden, zegevierend vragen: „Wie van u overtuigd mij van zonde?" Joh. 8 vs. 46. Aan het einde van zijne baan, kon bij tot God spreken: „Ik heb U verheerlijkt op de aarde; ik heb voleindigd het werk, dat Gij mij gegeven hebt om te doen," Joh. 17 vs. 4. Van hier, dat Paulus Jezus kenmerkte als dengene, „die geene zonde gekend had," 2 Cor. 5 vs. 21; dat Petrus van hem zeide, dat hij, „geene zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in zijnen mond

Sluiten