Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klaringen aangaande zijne betrekking, waarin hij tot God staat, eenig licht ontvangen, Eom. 9 vs. 5. „Welker zijn de Vaders, en uit welke Christus is, zooveel het vleesch aangaat; dewelke is God boven allen te prijzen in eeuwigheid." Deze laatste uitspraak wordt door sommigen ten onregte op Christus betrekkelijk geacht; dat zou niet alleen in strijd zijn met de doorgaande voorstelling, die Paulus van Christus geeft, maar ook met Jezus eigene verklaringen. Daaróm beschouwen wij die laatste woorden, liever als een tusschenzin, zooals de Apostel ook doet: Rom. 1 vs. 25; 2 Kor. 2 vs. 31; Gal.1 vs. 5.

Voorts wijzen wij nog op 1 Tim. 8 vs. 16. „En buiten allen twijfel de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vleesch, is geregtvaardigd in den geest, is gezien van de Engelen, is gepredikt onder de Heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid." Blijkbaar wijst Paulus in deze woorden zijnen vriend en medearbeider. Timotheus, op eenige hoofdzaken der Christelijke openbaring. Hij vat ze in weinige hoofdtrekken zamen. De groote inhoud der Evangelische openbaring, voor allen die ze nog niet kenden een geheim of eene verborgenheid, was bo* ven allen redelijken twijfel verheven en bestond vooral daarin, dat God zich in het vleesch, in den mensch geworden Christus, duidelijk had bekend gemaakt; dat hij in Christus erkend was, door allen in wien de geest van Christus woonde; in Christus gezien was door de Engelen, in Christus den Heidenen gepredikt werd, in Christus door velen in de wereld aangenomen was, in Christus glorierijk naar den hemel was teruggekeerd. Niet alleen dus Jezus sterven en opstanding, maar ook zijne aardsche verschijning, zijne erkentenis door Engelen en menschen, alsmede zijne verhooging in den hemel, getuigden van Jezus goddelijke zending.

Eindelijk ontvangt ook door Jezus eigene verklaringen, het eerste hoofdstuk van den brief aan de Hebreën, menige opheldering, wanneer Jezus daar genoemd wordt, de Zoon, dien God gesteld heeft tot een erfgenaam van alles, door wien Hij ook de wereld gemaakt hééft, daar hij is het afschijnsel van Gods heerlijkheid, het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid, als Gods Zoon, verheven boven de Engelen.

Wij hebben genoeg Wjjgébragt, om eenigermate te doen erkennen,

Sluiten