Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Is de kennis van God voor ons van het hoogste belang, niet min* der belangrijk, mogen wij eene regte kennis van den mensch rekenen. Als redelijke wezens hebben wij er behoefte aan, om na te denken over ons bestaan, onze krachten en vermogens, onze bestemming, en vinden wij reeds in de Heidensche oudheid de zinrijke vermaning: „Ken u zei ven," wij hebben het vooral aan Jezus Christus te danken, dat wij ons zeiven regt helder bewast kunnen worden, wie wij zijn, en daardoor weten, hoe wij ons eigen waar geluk en dat onzer medemenschen kunnen bevorderen en God verheerlijken.

Wanneer wij over dit hoogst aangelegen onderwerp nadenken, dan valt het spoedig in het oog, dat wij den mensch in het algemeen, van twee zijden kunnen beschouwen; aan de eene zijde merken wij hem aan, als het voortreffelijkste wezen op aarde, wat zijn aanleg en bestemming betreft; aan de andere zijde, als door de zonde diep bedorven en ongelukkig, 'zoodat hij behoefte heeft aan verlossing. Op beide willen wij achtereenvolgens acht geven.

De voortreffelijkheid van den mensch blijkt reeds duidelijk uit zijn bestaan. Hij bestaat uit ligchaam en geest en behoort, wat zijn Mgchaam betreft, tot de zinnelijke, wat zijnen geest betreft, tot de bovenzinnelijke wereld. In beide opzigten, is hij verheven boven alle andere schepselen, die hem hier op aarde omringen. Door zijne regt opgaande gestalte, door geheel zijn uitwendig voorkomen, door eene meer evenredige ontwikkeling van alle zintuigen, door zijn geheel eenig spraakvermogen, is hij kennelijk van al wat het delfstoffelijk, planten of dierenrijk oplevert, onderscheiden. Ook is zijn

Sluiten