Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

één menschenpaar af. Paulus betuigt: „ God heeft uit eenen bloede het gansche geslacht der menschen gemaakt, om op den geheelen aardbodem te wonen, bestemd hebbende de tijden, te voren verordend, en de grenspalen hunner woning," Hand. 17 vs. 26.

En raadplegen wij verder omtrent 'smenschen oorsprong, de eeuwenoude , zinrijke en geheel eenige oorkonden des Bijbels, hoe vertegenwoordigen zy" ons op eene aanschouwelijke wy'ze, de hooge voortreffelijkheid van den mensch. „ God schiep den mensch naar zijn beeld" Gen. 1 vs. 27. Dat wordt van geen een ander schepsel vermeld. Werd het ligchaam uit het stof der aarde gevormd, de geest werd hem door God ingeblazen, medegedeeld, zoodat hij meer dan eenig ander schepsel op aarde, aan God gelijkvormig was. Hy" ontving eenen reinen, redelijken en onsterfelijken geest. Hij was oorspronkelijk zonder zonde, begaafd met de heerlijkste vermogens, om alles wat hem omringde te kunnen leeren kennen en tot God zich te verheffen, om de edelste gevoelens in zich te kunnen aankweeken, om zelfstandig zijnen wil te bepalen. Te regt wordt de mensch daarom genoemd, „van Gods geslacht," Hand. 17 vs. 28, en was hy' als Gods stedehouder op aardè, de heer der schepping. Beeds dit geeft ons eenig begrip, aangaande de hooge voortreffely'kheid van den mensch, maar nog veel duidelijker wordt ons deze, wanneer wy' op zijne bestemming acht geven. Blijkbaar was hij door God bestemd, om, in gezellige vereeniging met andere menschen, zich naar ligchaam en geest te ontwikkelen en alzoo voor een hooger leven voor te bereiden. Wij zien dat reeds in de opvoeding der eerste menschen, Adam en Eva, door God in den schoonen Paradijshof geplaatst. Zij waren geroepen tot ligchamelyken arbeid, om daardoor hunne ligchaamskrachten te oefenen en voor hun levensonderhoud te zorgen, maar niet minder, om hun verstand met nuttige wetenschap te verrijken en den Almagtigen, Wy'zen, Liefderijken Schepper regt te leeren kenuen; om in hun hart, het gevoel voor hetgeen schoon, edel en rein is, op te nemen en Godverheerlijkende gezindheden in zich aan te kweeken; om met zelfbewustheid te kiezen tusschen goed en kwaad en vrijelijk hunnen wil naar Gods wil in te rigten. Zoo moesten zij op aarde zich ontwikkelen en als

Sluiten