Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is niet genoeg, dat wij weten, wie God is, en wie wij zeiven zijn, wij hebben niet minder noodig te erkennen, hoe wij, in aanleg en bestemming zoo voortreffelijke wezens, maar tevens door de zonde diep bedorven en ongelukkig, weder in de regte betrekking tot God kunnen komen, en in zijne gemeenschap waarlijk gelukkig worden. 'Wij moeten het weten, hoe wij van zonde en dwaling kunnen verlost worden. Gelijk de slaaf hunkert naar verlossing uit zijne slavernij, de gevangene haakt naar de bevrijding van zijne boeijen, zoo is daar ook in den nadenkenden mensch begeerte, om van de zonde en de heerschappij der zinnelijkheid verlost te worden.-

Waar vindt de zondige mensch den weg ter verlossing? Zeker niet buiten Christus. De geschiedenis bevestigt het. De Jood zoekt dien in zijne wet. Maar de Mozaïsche wet, welke voortreftelijke bestanddeelen zij ook bevatte, hoevele heilzame geboden zij voorschreef, hoe geschikt zij ook was voor het zinnelijke Israël, zij ontdekte slechts den zondigen toestand van den mensch en kon het ware licht, de volkomene verlossing, den onverstoorbaren vrede niet schenken, naar welke de heilbegeerige ziele reikhalsde.

Onder de Heidenen waren er velen, die den weg der verlossing poogden te vinden. De oudheid wijst ons op menschen van verheven aanleg, van uitstekend vernuft. Zij doorzochten de geheimenis-sen der stoffelijke, zoowel als der geestelijke wereld. De wijsbegeerte beproefde, op velerlei wijze het groote vraagstuk, hoe de mensch van de overheerschende zinnelijkheid kon worden verlost, en een «onverstoorbaar geluk kon deelachtig worden, bevredigend op te lossen.

Sluiten