Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden, namelijk die in zijnen naam gelooven," Joh. 1 vs. 12. Paulus verklaart: „Met het hart gelooft men ter regt vaardigheid, en met den mond belijdt men ter zaligheid," Som. 10 vs. 10. Hieruit blijkt van zelve, dat er een groot onderscheid is; tusschen een gelooven aan Jezus Christus en het gelooven in hem. Het eerste heeft meer betrekking op verstandelijke overtuiging, aangaande Jezus; het laatste, op geestelijke levensvereeniging met den Heer. Zoo spreekt Jacobus, dat zelfs de Duivelen aan God gelooven en zij sidderen, Jac. 2: 19; Paulus omschrijft het geloof in Christus, met deze woorden: t„ Christus woont in uwe harten," Efez. 3 vs. 17.

Dat geloof nu, is geene bovennatuurlijke gave, die onmiddelijk van God komt en lijdelijk door den mensch moet worden ingewacht, middelijker wijze, wordt het in ons hart gewekt, aangekweekt, versterkt en bekrachtigd. Eens zond God zijnen Zoon als mensch op aarde, en door hem te zien, tot hem te komen, naar hem te hooren, en wat hij sprak ter harte te nemen, werden alle heilbegeerigen van zijnen tijd door het geloof aan hem verbonden. Later, en ook nu nog, geschiedt zulks inzonderheid door de Evangelieprediking.

„Het geloof is door het gehoor en het gehoor door het Woord Gods," Eom. 10 vs. 17.

„God, die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is degene, die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezigt van Jezus Christus. Uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme," Efez. 2 vs. 8, 9. Door Gods liefderijk bestuur, die ons te midden der Christelijke maatschappij heeft doen geboren worden , die ons een voor het geloof vatbaar gemoed heeft geschonken, die ons omringt met velerlei hulpmiddelen, die onze lotgevallen regelt, worden wij gedrongen, om, uit vrije keuze, Christus aan te nemen en in Christus dankbaar zijne genade te prijzen. Zijn en blijven er nog steeds velen, die ofschoon zij onder het Evangelielicht leven, niet in Jezus gelooven, dat komt, niet van God, die .wil dat alle menschen zalig worden en tot kennis der waarheid komen, maar dat komt, omdat zij of door eigen schuld, of door de

Sluiten