Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van den Heiligen Geest, wordt meermalen in den Bijbel gesproken, zoodat men nu eens aan God zeiven te denken hebbe, Joh. 4 vs. 24; 1 Cor. 2 vs. 10—16; dan eens aan de werking van Gods Geest, op Christus, Kom. 8 vs. 9, 10; op den vernieuwden mensch, Efez. 6 vs. 18; op de gemeente des Heeren, 2 Cor. 13 vs. 13. Om ons echter van dien Geest en zijne werkzaamheid eenige voorstelling te kunnen maken, moeten wij met onze gedachten opklimmen tot de bron en oorzaak aller dingen. God, de Schepper der stoffelijke en der onstoffelijke wereld, is een zuiver geestelijk Wezen, de Allervolmaakste Geest, zoodat Hij nooit iets doet, wat met zijne zedelijke volmaaktheden, ook maar eenigzins in strijd is.

In Hem, is de bron en oorzaak van alle waarheid, heiligheid en liefde. Hij is de Heilige Geest big uitnemendheid. Daar is niets rein, goed en goddelijk, of het is van Hem uitgegaan. Hij schiep den mensch naar zijn beeld en gelijkenis. Wel kwam de zonde in de wereld, maar nooit werd dat beeld geheel verduisterd. Altijd behield de mensch, schoon overheerscht door de zonde, eenige vatbaarheid voor waarheid, heiligheid en liefde. Ware het anders, eene zedelijke herschepping der menschheid, had niet kunnen tot stand komen. Maar die geestelijke vatbaarheid, moest in den mensch en de menschheid, niet sluimeren, zij moest tot zelfstandig leven komen en niet onderdrukt blijven door den geest der wereld, die leugen, zonde en zelfzucht kweekt. Daartoe was God steeds werkzaam.

Hoe Hij daartoe werkzaam is, kunnen wij niet volledig doorzien. Maar gelijk in de stoffelijke wereld, de vlam van een groot licht, zich onder zekere omstandigheden, gemakkelijk mededeelt aan een ander ontvlambaar voorwerp, en daardoor een nieuw zelfstandig licht, somwijlen een vuurgloed, ontstaat, dat zich weder aan andere gelijksoortige voorwerpen mededeelt, zoo kunnen wij iets dergelijks in de geestelijke wereld waarnemen. Ook Gods Geest, kan op den daartoe voorbereiden menschelijken geest, eene zegenrijke werking uitoefenen, en zelfstandig geestelijk leven wekken, dat weder aan anderen mededeelbaar is, en in steeds wijdere kringen zich verbreiden kan. Zeker geschiedt dit zóó, dat de zedelijke vrijheid van den mensch, daarbij niet wordt opgeheven, maar ook zóó, dat wij niet altijd weten, op

Sluiten