Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesteld en vervangen door die des H. Doops. De Doop zou het uitwendige teeken zijn, dat den bevoorregten belijder des Christendoms van den Jood en den Heiden onderscheidde; het teeken^ dat hem, op plegtige w>jze, verzekerde van het deelgenootschap aan al de voorregten des Nieuwen Verbonds; bit teeken, waaraan de ingewijde zijne heerlijke en hemelsche roeping zoude erkennen, om in de gemeenschap met den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, van alle zonde gereinigd te worden.

De Heer verordende dus den Doop, als inwijdingsplegtigheid itt het Christendom, en zijne belijders werden daarmede toegewijd, tot de erkentenis van God, gelijk zij Hem alleen konden leeren kennen, als den Vader; tot erkentenis van den Stichter des Godsrijks, zooals hij onderscheiden was van alle andere Godsdienstleeraars en gezanten, als Gods Zoon; tot de erkentenis van den Heiligen Geest, die van Godswege in zijne gemeente woonde en werkte en allen onderling, en allen te zamen, met God en den Heiland verbond.

Zonder verder te bepalen of deze Doop door indompeling of besprenging, aan ouden alleen, of ook aan kinderen behoorde bediend te worden, bepaalde hij eenvoudig en nadrukkelijk, waartoe en in welken geest, deze plegtigheid behoorde te worden verrigt. De wijze van toediening, liet de Heer wijselijk aan tijden, omstandigheden en den ontwikkelingsgang zijner gemeente. over. De Apostelen hebben den Heer goed verstaan. Zij zijn: henen gegaan, hebben openlijk onder de volken der aaide zijn Koninkrijk gesticht, bezigden den Doop als inwijdingsplegtigheid, en bevestigden door dit uitwendig teeken de gemeente. Ook latere leeraars zijn op hun voetspoor voortgegaan. Toch werd al spoedig de oorspronkelijke beteekenis uit het oog verloren. Christenen uit de Joden en uit de Heidenen, vroeger gehecht aan uitwendige geheimzinnige plegtigheden, schreven aan den Doop• zeiven eene bijzondere reinigende en zaligmakende kracht toe. Men stelde reeds in de eerste eeuwen des Christendoms dienaangaande vast, dat door de besprenging des waters, de zoogenoemde erfzonde werd weggenomen en tevens eene geheel volkomene innerlijke reiniging werd te weeg gebragt, ook dan zelfs, wanneer men nog in geenen deele aan de voorwaarden

Sluiten