Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tan het Evangelie had beantwoord. Daardoor verviel men tot de ongerijmde handelwijze, om de plegtigheid des Doops tot de laatste levensjaren uit te stellen. "Velen zelfs wachtten er mede tot de stervensure, in de veronderstelling, van alsdan, om het even hoe zij geleefd hadden, geheel gereinigd de eeuwigheid binnen te treden. Van hetzelfde gronddenkbeeld uitgaande, vervroegde men naderhand de Doopsbediening zooveel mogelijk, en verrigtte die plegtigheid aan de kinderen, terstond hij hunne geboorte, uit vrees, dat anders een haastige of vroegtijdige dood hen berooven mogt van het onfeilbaar geachte middel tot zaligheid. Eerst later en vooral door de Hervorming, is de Christelijke kerk van dit dwaalbegrip, dat nog in de Boomsche kerk heerscht, bevrijd geworden. Nergens toch in de Heilige Schrift, wordt aan den Doop alleen en op zich zeiven de zaligheid verbonden, maar hij is de voor de zigtbare gemeente, de door den Heer noodzakelijk geachte inwijdingsplegtigheid , waardoor het zaligmakend geloof gewekt, aangekweekt en versterkt kan worden. Slechts in verband met dat geloof en een Gode geheiligd leven, wordt hij genoemd, „het bad der wedergeboorte," Tit. 8 vs. 5, een onderpand van de vergeving der zonden, Hand. 2 vs. 88; 22 vs. 16; eene wijding tot een nieuw hemelsch leven, Bom. 6 vs. 2—4.

"Wat nu den kinderdoop betreft, wij merkten reeds aan, dat de Heer omtrent den tijd en de wijze der doopsbediening niets heeft vastgesteld, maar deze aan den ontwikkelingsgang zijner gemeente heeft overgelaten. Dat hij niet in strijd is met den geest des Christendoms en de oorspronkelijke bedoeling van Jezus, is voor den onbevooroordeelde duidelijk genoeg. Is de Doop de inwijdingsplegtigheid des Nieuwen Verbonds, hoe zou het strijdig kunnen zijn met het bevel des Heeren, dat Christenouders, reeds vroegtijdig, hunne kinderen door den Doop plegtig verbinden aan de gemeente; hen wijden tot de erkentenis van den Vader, als hunnen Vader, van den Zoon, als hunnen Heiland, van den Heiligen Geest, als hunne erfenis; hen wijden tot het deelgenootschap aan de vergeving der zonden, tot reinheid des harten en een heilig leven. Hoe eigenaardig' is deze vroegtijdige vèrbindtenis aan den Heer en zijne ge-

Sluiten