Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat als hij geopenbaard is, wijs hem zullen gelijk wezen, want wij Zullen hem zien, gelijk hij is," 1 Joh. 8 vs. 2.

En geen wonder, dat wij geene volledige voorstelling van de hemelsche zaligheid bezitten. Kan ook het kind, zich een helder en duidelijk denkbeeld vormen van hetgeen hij als volwassen mensch zijn zal, wat het dan zal denken, hoe het dan zal gezind zijn, hoe het dan veelzijdig in de maatschappij zal werkzaam zijn? Immers neen; het kan dat niet, want het meet alles af, naar den bekrompenen maatstaf van zijne kinderlijke ervaring. Yeel minder nog kunnen wij menschen hier op aarde, ons van het toekomstige eene duidelijke voorstelling maken, want nog veel grooter is het verschil tusschen het tijdelijke en het eeuwige, dan tusschen den kinderlijken en den volwassenen leeftijd.

Met groote wijsheid heeft de Hemelsche Yader ons ook die volledige openbaring onthouden. Want al konden wij dien toestand bevatten, dan zou daardoor in den heilbegeerigen mensch, ligt een onmatig heimwee naar het toekomstige geboren worden, die hem verhinderde, om zijnen eersten op voedingstij d wel te besteden.

Maar hangt er een digte sluijer voor die toekomst, dien geen mensch in staat is op te ligten, toch dringen enkele lichtstralen tot ons door, om ons te bemoedigen en tot steeds meerderen ijver aan te sporen. Vangen wij enkele van die lichtstralen op, dan mogen wij met zekerheid hopen, dat wij in plaats van het aardsche Ligchaam, dat wij hier met ons omdragen, een verheerlijkt ligchaam zullen ontvangen, geschikt voor den staat en den arbeid, waarin wij na den dood zullen verkeeren. Hoe gebrekkig is niet dit ligchaam, hoe zwak vaak, hoe beperkt in vermogen, hoe onderhevig aan allerlei kwalen. Bij het sterven ontwikkelt zich uit dat grove omkleedsel, een fijn, etherisch ligchaam, dat alsdan het voertuig des geestes wordt. Er zijn immers toestanden hier op aarde, waarin wij het vrij duidelijk kunnen opmerken, dat er nog hoogere zintuigen, dan de gewone in ons sluimeren, maar die wegens onze gebondenheid aan het stof, niet tot vrije werkzaamheid kunnen komen.! Gelijk de ruwe bolster van het tarwengraan in de aarde sterft, terwijl uit de fijnere kiem zich een nienw en heerlijker

Sluiten