Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de dalen rinkelen, de rotsen splyten doet, zooals daar buiten het dof gegrom de aarde schudt, zoo is er ook daar binnen een afgrond en weer een afgrond en nog een afgrond van grondeloos levensleed, van grondelooze levensworsteling, die antwoordt de een tot den ander, „diepte bruist diepte tegen." Wie beleeft het niet, dat er afgronden woelen in ons eeuwig hart! Of zijt gij een luchtige vlinder,of zijt gÜ een koordedanser naar den tijd, die niet weet, hoe grondeloos diep uw eigen leven is? Behoort gij tot dezulken, die niets zien dan blyde glansen, doorspelende het al? Behoort gij tot dezulken, aangaande welke een wijze klaagt: „Zij hebben de wereld ten schouwtooneel, alles even blyd, niets dan een kijkkast!" Ja, voorwaar, de angst vliegt ons naar de keel, de verschrikking woedt óp uit den duisteren kolk van ons binnenste, indien wy inkeeren tot ons van levensleed, stervensnood, zonderouw doorknaagd hart. De bloedstroom, slaande in onze leden, is als een duistere rivier, die komt storten, wyd van de bergen af, die afgronden doorworstelt, die mondt in oeverloozen oceaan.

Wy weten niet, van waar ze komt die onbestemde drift, waaraan wy deel hebben en toch weer niet, die erf-onrust „uit éénen bloede." In onzen polsslag hamert de eeuwenoude hartstocht van het voorgeslacht en toch, persoonlijk eigen is ons deze bloeds, deze levensdrang.

Daarom, wie schouwt in de duistere, grondelooze diepte van het binnenst zelf, roept: „Heer behoud my, want ik verzink, ik verga!" Voor zulk een mensch wordt Petrus' kreet tot den Christus een snik uit eigen doodsnood. Ons hart is een afgrond, peilloos diep. Indien wy daarin werpen den steen van het onderzoek, zoo kunnen wy tellen, weder tellen, wy hooren den klank niet van het dieplood,

Sluiten