Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den 15n October was aan de school te Annaberg een onderwijzer aangesteld wiens naam wij reeds noemden: Mr. Jadocus. Hij was een ernstig zeer geleerd en kundig man, die te Berlijn, waar hij het laatst onderwijs had gegeven, door zijn leerlingen werd bemind. Op hooger bevel was hij naar Annaberg verplaatst. En ook hier maakte hij zich reeds den eersten dag van zijn optreden vrienden, waaronder vooral Frederik en Jacob behoorden. Daar hij te Annaberg niemand kende, nam hij Frederik's uitnoodiging om hem in zijne woning te komen bezoeken gaarne aan en werd een huisvriend.

Zooals te denken is, liep reeds het eerste gesprek dat hij ten huize van Mygonius voerde, over de school, den kansel, het priesterambt, de heiligen en over de geschiedenis die aller harten vervulde en op aller lippen was: den aflaathandel. Mygonius verklaarde dat hij verlangend uitzag naar het oogenblik dat ook te Annaberg de bizondere genade Gods zon worden verkocht en zeide vast besloten te zijn zoo wel voor zich als Toor vrouw en zoon een vrijbrief te koopen.

Mr. Jadocus,' roemde de genade Gods, die oneindig is, doch bewees dat gekochte genade, géén genade is. Genade moet om niet geschonken worden. En dat doet God. Hij maakt om niet zalig. Zonder geld en zonder prijs bied hij de schatten van dit en het toekomende leven aan. Deze en meer andere woorden maakten op het hart van Frederik's vader, die een helder denker, was, een diepen indruk. Hoe meer hij nadacht, hoe meer hij overtuigd werd, dat de aflaat alleen geschikt was om het goud naar Rome te doen vloeien, doch niet om den hemel te ontsluiten; want dat daartoe God alleen de machtige was. Hij ging voort met het aanroepen van heiligen, met het ontsteken van gewijde kaarsen voor hunne afbeeldingen en het offeren; doch van den aflaathandel wilde hij niets meer weten en verbood zelfs zijn zoon zich bij den optocht aan te sluiten.

j>Nu zal mijn Frederik wel veel vertellen niet waar, mijn jongen ?« — zeide Frederik's moeder toen hij met Mr. Jadocus en Jacob de woning binnenkwam . .. Jk heb het vuur goed opgestookt, gij zult wel kond zijn; niet waar?«

Sluiten