Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen steen dien Hij zijn eigendom kon noemen. En toch is Hij de Zaligmaker der wereld, die bevolen heeft dat men zjjn voetstappen drukken zal.

Ik bid u, mijne vrienden! denk hierover na; vergelijk Hem die Zijn leven voor Zondaren gaf, met Tetzel en diens lastgevers, en bidt God om licht.«

VIERDE HOOFDSTUK.

FREDERIK "WORDT DOOR TETZEL AFGEWEZEN EN WIL ' BEPROEVEN DEN HEMEL TE VERDIENEN.

Weken en maanden waren verloopen. Te Annaberg ging alles op denzelfden voet voort. De beide vrienden studeerden ijverig; Jacob bleef twijfelen en Frederik verlangen naar een aflaatbrief. Zijn vader wilde hem het geld daartoe niet verschaffen en ook zijno moeder was allengs overtuigd dat een dergelijke brief niets baatte. Hij zelf bezat zooveel niet om er een te kunnen koopen.

Op zekeren Zondagavond kwam Frederik opgetogen van blijdschap bij zijn vriend en zeide: sJacob! nu zal ik spoedig mijn wensch verkrijgen.«

«Welken wensch bedoelt gij; wat zult gij verkrijgen?»

»Och gij begrijpt mij wel. Ik bedoel een aflaatbrief. Hedenavond heeft Tetzel gezegd: dat de tijd der genade nu welhaast voorbij zal zijn en dat zoolang de wereld stond, eene zoo groote genade niet weer van den roomschen stoel aan Duitschland zal ten deel vallen. Hij wilde nu ten teeken van dankbaarheid, voor de groote aandacht welke het Duitsche volk had laten blijken, de aflaatbrieven voor een geringeren prijs dan in het begin verkoopen, ja, ze den armen voor niet, om Gods wil geven.« Ik zal dus morgen tot hem gaan. Morgen avond ben ik de gelukkigste mensch.«

Sluiten