Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van alle gemeenschap met de buitenwereld afgesloten was, noemde de namen van broeders die hier en daar voor het volk optraden, en door aanzienlijken tot biechtvader gekozen waren. Dit was Frederik trouwens niet onbekend. Hij zelf had vóór zijn komst in het klooster meermalen met Franciscaners, zelfs met den prior, een onderhoud gehad. Hij verklaarde echter met de wereld niet weer in aanraking te willen komen maar binnen de hooge muren zijn dagen te slijten.

Nadat hij aan de broeders was voorgesteld nam hij deel aan de godsdienstoefeningen en andere werkzaamheden. Gaarne zette hij zich op de laagste plaats, verrichtte het minste werk en deed dat zóó stipt en nauwkeurig, alsof aan iedere beweging zijne zaligheid hing.

Des avonds betrad hij zijn cel. Zij was een klein vierkant kamertje met hooge zoldering. De meubelen bestonden uit eene tafel, eene bank, een ledikant, waarin een bed lag en een steenen waterkruik. Op de tafel stond schrijfgereedschap en aan de wit gepleisterde muren hing het beeld van den verlosser aan het kruis, waaronder een wijwatervat, en het beeld van de heilige maagd. De cel ontving haar licht door een venster, met kleine in lood gezette ruiten, dat van buiten met ijzeren traliën was voorzien.

Voor Frederik zich ter ruste begaf, zette hij zich een oogenblik op do bank neder, plaatste de ellebogen op de tafel, liet het hoofd in beide handen rusten en dacht over de gebeurtenissen van dien dag na.

Onwillekeurig toefden zijne gedachtenin de ouderlijke woning, waar zijn ouders waarschijnlijk nog klaagden en weenden over zijn gemis. Vooral de woorden van zijne lieve moeder klonken hem aanhoudend in de ooren, en hij kon een zeker gevoel van verlatenheid niet onderdrukken. Maar hij vermande zich spoedig en zeide: »Laat ik niet zwak zjjn; het is zoowel voor hen als voor mij nuttig dat ik hier ben." En zich voor het beeld van den Heiland nederwerpende, riep hij Hem aan, zooals hij te voren nooit had gedaan.

Hij schreef later: «Toen ik mij in de cel voor Christus nederboog, dacht ik aan geen heiligen, zelfs niet aan de

Sluiten