Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus wordt geschonken, wiens bloed van alle zonden reinigt.

Toen hij de menigte, die hem met klimmende aandacht had gevolgd, den zegen had gegeven en den kansel verliet, kwam een vreemdeling tot hem, stak hem de hand toe en zeide: »Wel, Frederik 1 ik verblijd mij u weder te zien en uit uwen mond te hooren dat gij een vrijbrief gekregen hebt, en dat wel eenen die niet voor geld te koop is, maar om niet wordt gegeven door Hem die alleen de zonden kan vergeven.»

frederik stond een oogenblik verbaasd, doch herstelde zich spoedig en stak den vreemdeling beide handen toe. Hij had in hem zijn ouden vriend Jacob herkend.

Aan vragen en antwoorden kwam schier geen einde, Jacob verhaalde: dat hij van zijn twijfel geheel was verlost, sedert hij geloofde dat Christus alleen het Hoofd zijner Kerk is en zich aan Hem geheel had over gegeven. Hij was nu leeraar aan de school te Wittenberg en had een reisje door het Duitsche rijk gemaakt om hier en daar Christus te verkondigen.

Frederik vertelde hem hoe hij den tijd in het klooster had doorgebracht, en dat hij daar geen vrijbrief kon verdienen maar er een van God had ontvangen, die hem overtuigde dat zijne zonden vergeven waren en dat hij' eenmaal in Christus heerlijkheid zou deelen. Hij' verhaalde ook dat hij in den kerker was geworpen en op de vraag van Jacob hoe hij daaruit verlost was gaf hij ten antwoord: adat is spoedig verteld. Ik had nauwelijks acht dagen in het vunsige verblijf doorgebracht toen de monnik, die mij spijs en drank moest brengen en met wien ik menig gesprek over zijne zaligheid had gevoerd, des nachts mijne cel ontsloot, mij bij den arm greep, voorttrok en behouden buiten de kloosterpoort bracht. De halfslapende portier, dacht zeker dat wij iets buiten het klooster hadden te verrichten, want zonder een woord te spreken ontsloot hij de deur en liet ons gaan. Wij hadden de kap van onzen pij diep over het hoofd getrokken, zoodat hij ons gelaat niet zien kon.

Toen wij buiten waren nam mijn bevrijder afscheid. Hij wilde naar Berlijn gaan waar zijn bloedverwanten woonden. Ik begaf mij naar Keulen. Daar mijne studiën voltooid waren, kreeg ik daar eene aanstelling en werkte eenigen tijd in stilte

Sluiten