Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar de eerste die ze verbreekt is de man, die niet meer ziet de haatgele oogen zijner vijanden, maar de heerlijkheid Gods en die het plotseling uitroept in heilige verrukking: Ik zie de hemelen geopend en de Zoon des Menschen staande ter rechterhand Gods. 't Is een van de drie of vier malen dat een mensch de andere wereld open ziet. 't Is de eenige maal dat Christus daar „staat". Onze geloofsbelijdenis en de Schrift zeggen: hij zit. Hier „staat" Hij. In wondere verwachting om zijn kostelijken dienstknecht is Christus daarboven opgestaan. Als ging Hij hem reeds tegemoet, als om hem op te vangen.

Maar nog altijd ter rechterhand der kracht Gods, ook als Zijn eenige volgeling gaat sterven.

Hij staat, hij staat, hij staat.

Naast Gods kracht.

Maar dan is de betoovering gebroken. Ze willen het niet hooren, zij stoppen hun ooren, zij vergeten hun deftige zitting, vergeten wat mag en niet mag en vallen over de banken op hem aan en trekken en sleuren en scheuren hem door de straten ter stadspoort uit, waar steenen liggen, groote steenen. En zij gooien hun lange kleederen uit om de zware puntige rotsstukken met te meer kracht te smijten niet op, maar in zijn lichaam. Geweldig, maar in die paar minuten is de hemel niet toegegaan en de stervende man roept naar boven zijn staanden Heiland toe: „Heer Jezus, ontvang mijnen Geest." Nu is alles klaar.

Neen, nog niet. Die den hemel tegemoet gaat, kan de aarde geen hel achterlaten. „Heere! reken hun deze zonde niet toe." En terwijl de keien dof bonken en zij hun haat uitgieren en gulpen in overspannende krachtworpen, laat Lukas den eersten martelaar heengaan met het zachte woord: als hij dat gezegd had, sliep hij in.

Op dien dag heeft God den man van Tarsen gegrepen tot een bekeering, die later volgt.

Een leven lang zwijgt Paulus over zijn aanwezigheid bij dien martelaarsdood. Alleen kleine trekken herinneren eraan, dat deze

206.11

Sluiten