Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wereld is niet zoo moeilijk als strijden tegen den ouden mensch, ons ongebroken hoogmoedig ik. Dat is zóó moeilijk en zwaar, dat Christus' kracht in onze zwakheid volbracht moet worden, anders komt er niets van terecht. Alleen hij, die weet door Christus te zijn opgezocht, kan zelf opzoeken om te behouden en te winnen een „broeder", die ten doode wankelde. „In het houden van Gods gebod is groote loon", want nu kunnen wij tot den Vader weer komen en zeggen: „Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren." Nu slaat dit gebed niet neer, maar stijgt op tot in den hemel.

Met „mijn", maar „ons."

God leert ons wel niet langer midden op den weg te loopen, maar aan den kant te gaan staan, want Jezus Christus moet voorbij komen. Hij breekt ons individualisme, ook in onze twistzaak. We moeten ons niet verbeelden, dat de heele wereld om ons „ikje" draait. Ik heb niet alleen een brok onrecht en smaad en laster te verwerken en te dragen, ik ben maar één van de ontelbaar velen. En toch, we doen alsof ons kruis en onze twistzaak het ergste is. We zetten het in het middelpunt en ieder moet het goed zien en ook rondom dat allerbelangrijkste gaan staan. Maar God zegt: geen andere goden voor Mijn aangezicht, ook niet de god van ons belangrijke „ikje". Daarom leeren we volmaakt bidden in het voortdurend besef, dat God de Vader in het middelpunt staat en dat al Gods kinderen, waarvan ik er „eentje" ben, rond Hem bidden en leven. Zoo bidden we niet: Mijn Vader, vergeef mij mijn schulden, gelijk ook ik mijn schuldenaren vergeef. Neen, we oefenen gemeenschap der heih'gen in het allerpersoonlijkst gebed, we nemen daarin op de schuld èn de vergevingsgezindheid van al onze broeders en zusters. Ook in het geestelijk leven moeten we afsterven alle „gericht zijn" op ons ik, alle individualisme. Alles gaat om de eere des Vaders, en daarin is mede opgenomen de schuldvergeving der kinderen Gods waarvan ik weer „eentje" ben. God maakt ernst met eiken steen van 't Godsgebouw. Elke steen moet levend zijn. Maar als de steen levend is, dan weet hij heel goed, dat hij niet meer mag zijn dan een enkele steen en niet het heele gebouw. Niet „ik" en „mijn", maar „wij" en „ons".

Sluiten