Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liefde, ook in en door ons, een grens hebben, ze ware niet meer uit God. De Heiland spreekt van zeventig maal zeven maal, om daarmede het onbegrensde aan te duiden: altijd. Dat valt niet zwaar, zoolang we ons maar herinneren, dat onze Vader „altijd" vergeeft, „menigvuldiglijk." Eiken dag bidden wij de vijfde bede. Daar komen we nooit boven uit, omdat wij eiken dag de schuld vermeerderen. Zoolang wij, om met Rothe te spreken „de school van dit gebed niet ontgroeien kunnen", ontgroeien we ook niet aan onze vergevensgezindheid jegens onzen naaste. Eiken dag zijn Zijn goedertierenheden nieuw en daarom ook ons erbarmen met de schuldenaars.

Gelijk en toch ongelijk.

Wij hebben den nadruk gelegd op het „gelijk ook wij

Gelijk in innerlijke ontferming, gelijk in onbegrensde liefde, gelijk in verhouding, gehjk in denzelfden Geest. Maar in één opzicht staat de zaak wel" heel ongelijk. Dat laat de Heiland ons zien in de gelijkenis van den onbarmhartigen dienstknecht. Als we dat verhaaltje lezen, dan staan we perplex en zeggen: Hoe is het mogelijk. Wat een verregaande brutaliteit. Eerst wordt dien dienstknecht door den koning een onbetaalbare schuld van tien duizend talenten kwijtgescholden. Hij behoudt daardoor zijn huis en inboedel, maar ook zijn vrouw en kinderen en zichzelf. De heer was. „met barmhartigheid innerlijk bewogen". Maar die dienstknecht bewondert niet de liefde en schuldvergeving en het hart van den Koning, maar alleen het buitenkansje, dat hij er zóó af komt. „Hij heeft geboft," zegt iemand. En nu gaat die man naar huis, maar komt een mededienstknecht tegen, die hem maar honderd penningen schuldig is; en hij vergeet het erbarmen; daar leeft hij niet uit; hij leeft immers uit zijn buitenkansje, uit zijn egoïstisch hart. Hij grijpt zijn schuldenaar bij de keel en roept: Betaal en anders de gevangenis in. Als de Koning het hoort, roept hij den onbarmhartigen dienstknecht tot verantwoording. Hij laat hem twee dingen gevoelen: Gij moest gehjk zijn met mij in ontferming, en dat waart gij niet. Nu zult gij betalen tot de laatste penning.

Sluiten