Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Woord komt. Dat is bidden om Godswil en niet om onzentwil. Dat is zóó bidden, dat de Naam des Vaders wordt geheiligd, het koninkrijk komt en Zijn wil geschiedt, in den hemel en alzoo op de aarde. En naast Stefanus, die zich thuis gevoelde in de vijfde bede, in het

„gehjk ook wij ", zien we Chrysostomus, die onder de slagen

der soldaten stervend overwint: „Geloofd zij God voor dit alles." Dan heeft ons belangrijke ikje wel de genadeslag gekregen. Dan is God toch wel dè werkelijkheid van ons leven. Dan doet niemand en niets ons meer wat. Zei Paulus niet: „In dit alles zijn we meer dan overwinnaars?" en „Wie of wat kan ons scheiden van de liefde Gods?"

Amen.

En het allesbeslissende van elk gebed, ook van de vijfde bede, ligt in dat laatste woordje „Amen." Dat wil zeggen: Dit bid ik door het geloof, nu zijn al die woorden tot God opgezonden geen holle frasen, geen zelf-gesprek, maar een tweegesprek tusschen God en mij. Amen. Het is alles waar en zeker. Veel zekerder dan ik het gevoel of bewust ben. Het is de zekerheid des geloofs, waardoor deze bede, die den Naam des Vaders noemt, niet blijft steken in onze vroomheid of in onze schulden of in ons gevoel, maar komt tot in het binnenst heiligdom. Amen, dat is: Ik hef Uw Naam niet ijdel op, maar tot Uw hart, o Vader. Of zooals Ds. }. Verkuyl zegt in „Het Gebedsleven": Het gebed heeft een adres, n.1. de levende God van onzen Heere Jezus Christus. En het „amen des geloofs" is de waarborg, dat de bede altijd terecht komt bij den geadresseerde: Onze Vader, Die in de hemelen woont.

Sluiten