Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ders dienen de bloemen, even goed als de bloemen de vlinders dienen. Die groote heerlijke zon, die op onschatbare afstanden van de aarde vlamt en schittert, is het zich niet bewust dat ze duizenden mijlen van zich af licht en warmte brengt. En toch is zij het, die het leven op aarde in stand houdt, die de planten uit den vochtigen grond opzuigt, die vroolijkheid brengt in het bekommerde hart. Als ze zou kunnen denken, zou ze misschien bij zichzelf zeggen: ik schijn, omdat Ik schijnen wil, omdat het mijn lust, mijn vreugde is. En ze weet het niet, dat ze door een hand, machtiger dan zij, opgenomen is in de heerlijke wet van het dienen. Want, al weet ze het niet, die geweldige zon dient dat heel kleine plantje, dat vol levensverwachten zijn kopje moedig omhoog houdt.

En dat plantje zelf denkt ook niet verder dan het weet. Het blinkt in het licht en het droomt van de blijdschap van zon en leven. Het gaat in zichzelf op, in den rijkdom van het bestaan. Maar het weet niet, dat het net zooveel dient als het door anderen gediend wordt. Het dient de kleine zaadjes, die het draagt en die straks nieuwe planten vormen zullen. Het dient het dier, dat zijn voedsel zoekt, of de andere plant, die erlangs omhoog klimt. Op allerlei wijze dient het andere wezens, die steun of schaduw, die voedsel of vochtigheid behoeven.

Ziet ge de wereld in, dan wordt ge door één ding telkens bij vernieuwing ontroerd i door het geweldige dienen De wet van het dienen ligt als een arm op elk schepsel, het draagt heel dié machtige wereld tot het bestaan. Ieder wezen

Sluiten