Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Drie trekjes zijn er, waarin de mensch zijn hoogen oorsprong verraadt. In de eerste plaats is de mensch een zedelijk wezen. Hij voelt, dat er onderscheid is tusschen goed en kwaad. Wel is waar, wordt die zuivere norm vele malen omgebogen, maar toch ieder mensch heeft het vaag vermoeden, dat er normen zijn. Zijn leven, zijn denken, zijn spreken, is onderworpen aan een hoogere wet. Er is een kwaad, dat om straf roept, dat veroordeeld, verworpen moet worden. Er is ook een goed, een deugd, die gezocht, geprezen en beloond moet worden, In het conflict tusschen die twee zedelijke machten moeten wij ons met hart en ziel stellen aan de zijde van het goede. Het zedelijk goed eischt ons op, wil dat wij ons rustloos eraan overgeven, dat wij zonder eenige beperking zijn majesteit erkennen. Dat verschijnsel is zoo opmerkelijk, dat alle volken er door getroffen zijn, dat overal ook opklinkt de verwondering over de zedelijke wet, die in ons als een geheimzinnig compas besloten ligt. Het is alsof ons allen menschen, in ons binnenste, voorzweeft het ideaal van de heiligheid.

Het tweede trekje is dat van de behoefte om te weten. De mensch zoekt niet alleen te weten dat, waarbij hij direct belang heeft, maar hij spoort ook de wereldraadselen na, hij is een denker van nature. De oude volken a' peinsden over de gangen der sterren, over den oorsprong der dingen, over het wezen van al het bestaande. De vraag naar den achtergrond van alle verschijnselen houdt den mensch voortdurend bezig: zelfs het kind vraagt al ieder oogenblik naar het waarom. De mensch is een vrager, • die zoekt naar de eenheid, de har-

Sluiten