Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De menschelijke ziel leeft in twee werelden, de stoffelijke wereld en de geestelijke. De geestelijke heeft als middelpunt God als den alles-dragenden en alles-voedenden Geest. God is ons allen zeer nabij. Hij is dichter bij ons dan eenig schepsel, want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij. Naast God zijn er ook andere geestelijke wezens rondom ons, engelen en daemonen. Hoe komt het, dat wij deze alle niet zien, niet ervaren ?

De voornaamste oorzaak daarvan is deze, dat de mensch zich met al de kracht van zijn leven op deze zichtbare werkelijkheid werpt. Met' zijn beide handen grijpt hij de wereld, de wereld is hem alles. Maar doordat hij zich met zoo groote intensiteit aan die wereld geeft, verslapt als het ware zijn zintuig voor de geestelijke wereld, raakt hij dat contact volkomen kwijt. Totdat het hem is, alsof die zichtbare wereld de eenige werkelijkheid is. Zoo sterk leeft hij voorovergebogen naar de stof. In den dood evenwel worden alle poorten naar de wereld onherroepelijk gesloten. Zijn oogen en ooren, zijn handen en voeten verliezen hun kracht en vermogen. Alle deuren naar de stof vallen dicht, en' wat overblijft is een onbegrijpelijk donker. Dan evenwel gaat het de ziel, zooals het ons allen in den avond gaat. De sterren schijnen den geheelen dag, maar overdag zien wij ze niet, omdat hun licht eenvoudig verzwolgen wordt in het zonlicht. Zoodra evenwel des avonds de zon ondergaat, zien wij ze ineens aan alle zijden aan den hemel fonkelen. Zoodra alle poorten der ziel naar de stoffelijke wereld onherroepelijk gesloten worden, begint in haar te schijnen het Licht van de geestelijke wereld, van

Sluiten