Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus teweeggebracht, de levendmakende en heiligende Geest, door Hem verworven; Christus wordt geopenbaard als Die de straf draagt, als Die de schuld betaalt, als Die zonde gemaakt is tegen de zonde, en vloek tegen den vloek, als Die de dood des doods is, en de verzoening tegen den eeuwigen toorn Gods vanwege de zonde; het waar geloof is er op uit, deze genoegdoening voor zich te vinden, deze gerechtigheid en heiligheid Christi voor zich te hebben; het valt voor God in de schuld, bekent den eeuwigen dood verdiend te hebben, en vindt en krijgt en neemt met beide handen aan en omvangt met de armen des harten het eeuwige leven, den Borg, met alles, wat Hij voor eenen dood- en doemschuldige is en blijft.

Het schijngeloof nu — (van het goddelooze ongeloof, dat geene verzoening door voldoening meer wil en dus stelselmatig alle geopenbaarde waarheid verloochent, spreken wij hier niet) — beeft niet voor de woorden: „Zonder geloof is het onmogelijk, Gode te behagen". Het siddert niet, als het verneemt: „Onderzoekt uzelven, of Christus in u is, beproeft uzelven". Het houdt alle bovengenoemde waarheden voor dierbaar, en laat het zich niet opstrijden, dat het deze waarheden aanneemt zonder toepassing op zichzelven. Immers men gelooft ze. Waartoe ? Om er zich kussens van te maken onder de okselen, terwijl men op de krukken van zijne ongerechtigheid zich voorthelpt, in plaats van tot den Heere Jesus te gaan om genezing van zijne lamme voeten. Men gelooft ze, doch het is maar alleen een zekér weten, veel kennis en opgeblazenheid. Men kan gemakkelijk gelooven en in eens voortgelooven, en veel spreken, dat de Heere Jesus zoo liefelijk en beminnelijk is; doch het is geene zaak des harten. Daarom is er geene behoefte aan verlossing van alle zonden, aan vrijmaking van alle banden. Men laat er geenen penning voor los, en er is geen verlangen om zichzelven

Sluiten