Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geest zijn, en dat de Heere hun Heer, hun God en hunne sterke toevlucht is.

Zoo graven en leggen de ware geloovigen den grond voor hun gebouw, zoo diep als het kruis staat, ja zoo diep als de liefde Gods gaat; zij zijn voorzichtig als de slangen en nemen niets aan, dat hun niet van Boven gegeven is, niets, dat niet met den Woorde Gods overeenkomstig is. En terwijl zij zich daaraan houden, ondervinden zij de machtige trekking des Vaders, om te nemen uit de volheid des Zoons Gods, te nemen ook genade voor genade, dat zij door en met genade komen en uit genade de genade Christi door den Geest ontvangen. Zoo is de Heere hun Licht in duisternis, en gaat hun het licht in de duisternis op ; zoo is Hij hun Raad in radeloosheid, hun sterke God, en is hun in hunne zwakheden met Zijne genade algenoegzaam; zoo is Hij hunne Wijsheid bij al hunne dwaasheid, en hun Vredevorst, als hun in de benauwdheid de vrede bitterheid wordt.

Christus in geloove aannemen en telkens opnieuw weder aannemen en bij nieuwe verlegenheden opnieuw omhelzen, dat is de bezige werkzaamheid van het zaligmakend geloof, en alleen in de ontferming Gods en in de genade van den Heere Jesus, alleen in den Persoon van Christus ziet het alles, wat waarde en duurzaamheid heeft; buiten God heeft niets voor het geloof eenige waarde of duur, ja, alleen de Heere kan en alleen de Heere moet ook het eenig al en algenoegzaam deel voor de verloste ziel zijn. Daarom is ook het allerheiligste zoen- en borglijden en sterven van den Heere Jesus des geloovigen eenige troost tegen de zonde. In Zijne gerechtigheid wil hij alleen gerechtvaardigd zijn uit vrije genade. En wat tot alles dringt, het is de liefde Christi.

Zoo heeft het zaligmakend geloof niets op het oog dan den Heere, Zijne genade, Zijnen' lof, de eere Zijns Naams. Het weet het voor den Heere, en de consciëntie getuigt het mede, dat men niet zichzelven zoekt in den strijd om des Heeren getuigenissen te bewaren, want ware geloovigen laten zich niet

Sluiten