Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG 4.

Vraag 11. Maar is het niet onrechtvaardig van God, dat Hij van den mensch in Zijne wet eischt, wat de mensch niet doen kan?

Antw. Neen, want de mensch is zóó geschapen, dat hij het doen konaj, maar hij heeft zichzelven en al zijne nakomelingen door het ingeven des duivels b) en door moedwillige ongehoorzaamheid van die gaven beroofd c).

a) Ef. 4 : 24. En den nieuwen mensch aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.-

b) 2 Cor. 11:3. Doch ik vreeze, dat niet eenigszins gelijk de slang Eva door haar arglistigheid bedrogen heeft, alzoo [ook] uwe zinnen bedorven worden.

c) Gen. 3 : 66. En zij nam van zijne vrucht en at en zij gaf ook haren man met haar en hij at.

vraag 12. In welke betrekking staan wij dan tot den eersten mensch?

antw. Hij is niet alleen ons aller vader a), maar ook het hoofd des verbonds geweest, waarin hjj als onze vertegenwoordiger optrad b).

a) Hand. 17 : 26. (God) heeft uit éénen bloede het gansche geslacht der menschen gemaakt.

b) Rom. 5 : 'lz. Daarom gelijk door éénen mensch de zonde in de wereld gekomen is en door de zonde de dood en alzoo de dood tot alle menschen doorgegaan is, in weiken allen gezondigd hébben.

Vraag 13. En wat is daarvan het gevolg? Antw. Dat de schuld, die de eerste mensch gemaakt heeft, aan ons allen wordt toegerekend a).

a) Rom. 5 : 18. Zoo dan gelijk door ééne misdaad de schuld gekomen is over alle menschen tot verdoemenis, alzoo ook door ééne rechtvaardigheid komt de genade over alle menschen tot rechtvaardigmaking des levens.

Sluiten