Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vraag 139. Wat is de afsterving van den ouden mensch? Antw. Het is een hartelijk leedwezen a) over en een haten en vlieden van de zonden b).

a) Jer. 31 : 19a. Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad.

Ps. 38 : 196. Ik ben bekommerd van wege mijne zonde.

b) Rom. 8 : 13. Want indien gij naar het vleesch leeft, zoo zult gjj sterven; maar, indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zoo zult gij leven.

Vraag 140. Wat is de opstanding van den nieuwen mensch ?

Antw. Het is een hartelijke vreugde in Goda) en een lust en liefde tot het doen van alle goede werken b).

a) Hand. 8 : 396. Want hij reisde zjjn weg met blqdschap.

b) 2 Tim. 2 : 21. Tndien dan iemand zichzelven van deze reinigt, die zal een vat zijn ter eere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid.

Vraag 141. Maar wat zjjn goede werken?

Antw. Daden, die uit waar geloof a) naar de wet Gods b) alleen Hem ter eere c) geschieden en niet, die op ons goeddunken of menschen-inzettingen gegrond zijn dj.

a) Rom. 14 : 236. En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde.

b) Jes. 8 : 20. Tot de wet en tot de getuigenis. Zoo zij niet spreken naar dit Woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben.

c) 1 Cor. 10 : 31. Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter eere Gods.

d) Matth. 15 : 9. Doch tevergeefs eeren zij Mij, leerende leeringen, die geboden van menschen zijn.

Sluiten