Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toenmaals reeds tot een aanmerkelijken trap van godsdienstige verlichting geklommen Groningen (2), een vierentwintigjarige jonge man op reis naar het in die dagen nog veel eenzamer en nog minder bevolkte Drenthe. Hij volgt den weg, die hem langs de u allen welbekende breede heidevlakte, niet ver ook van onze gemeente, eindelijk te Sleen brengt. Noch tot den landbouwersstand behoort hij, noch ook tot dien der krijgs- of koopof ambachtslieden; aijn gewaad maakt hem kenbaar als een zoon van deftigen huize; zijn geheele houding en voorkomen verraden al aanstonds in hem den man van, meer dan alledaagsche beschaving;. Te Sleen heeft hij. bloedverwanten van moederszij ie, bij wie hij hartelijk welkom zal zijn, indien ze hem ook niet met reikhalzend verlangen hebben verwacht (3).

Maar toeh is het niet de stem van vleesch en bloed al'een, die hem derwaarts trekt, noch ook gaat hij daarheen, om er in den schoot van geliefde betrekkingen rusten ontspanning te zoeken na moeielijken arbeid! Door dezelfde heilige aandrift gedreven, als die eenmaal de discipelen van Jezus bewoog om vischnet en tolhuis te verlaten en predikers van 't Evangelie te worden, wordt ook hij gedrongen; — aan dezelfde eervolle, maar zware en gewichtige taak, als die Galileërs, gaat ook hij zich daar wijden. Menso Alting is des jongeling! naam. Voortgesproten uit een aanzienlijk oud-Drentsch geslacht, dat reeds meer verdienstelijke mannen zag geboren worden, aanschouwde hij te Eelde het eerste levenslicht (4). Zijne ouders, gelijk destijds de meeste Drenthenaren, tot de Roomsen-Katholieke Kerk behoorende, voedden hem op in de leer dier kerk en,

Sluiten