Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(12*) Hoe Alting er toekwam ziek naar Sleen te begeven, is moei*, lijk uit te maken. Zijn biograaf Emmius zegt er niets meer van, dan dat bij naar 't aldaar voor bem bestemde (destinatum) pastoraat vertrokDoor de gemeente te Sleen beroepen was bij niet, — er bestond toen aldaar nog geen gemeente. Of bij er door vrienden en voorstanders van de Hervorming te Groningen werd heengezonden, blijkt uit niets. Dat fr tusschen Alting en de ingezetenen van Sleen wederzijds een zekere overeenkomst was aangegaan, ten opzichte van de geldelijke belooning-, die hij voor zijne diensten zou genieten, dat vinden wij wel aangeduid in den brief, na zijn vertrek aan jonkheer Herman van Wel velde uit Hochum door hem geschreven; — want daar gewaagt hij in van een merces debita, een verschuldigd loon, dat hij van velen niet ontvangen maar ook niet ingevorderd had, en van zekere schriftelijk opgemaakte pacta et conventa, of contracten, die door de Sleeners weêr verbroken waren; — maar niet kan men er uit afleiden, dat die vóóraf waren aangegaan, zoodat ook daarom nog niet vaststaat, dat hij door die van Sleen is aangezocht of uitgenoodigd geworden, om in hun midden als prediker der nieuwe leer te komen optreden,

(13) Dat de zaak der Hervorming in Drenthe niet zoo spoedig zulk een vaart nam, als wel elders plaats vond, hoewel dan ook hier do weg voor een betere godsdienst, dan die Rome predikte, gebaand was, en dat de ingezetenen, die bij Rome's kerkleer geen vrede meer vonden, niet tot het stichten van gemeenten en 't beroepen van geordende leeraars overgingen, maar vooreerst nog in 't geheim haar aankleefden ca voorstonden, terwijl zij voor 't uiterlijk nog roomsch bleven, — daarvan moeten wij de redenen zoeken in de bijzondere omstandigheden van den toenmaligen tijd.

A'eel heeft het oude Drenthe moeten lijden. Gedurig was het aan velerlei knevelarijen prijs gegeven; herhaaldelijk werd het uitgemergeld in de sobere middelen van zijn tijdelijk bestaan en schier aanhoudend geteisterd door 't vuur en zwaard van stroopende benden en oorlogvoerende machten. Zoo moest het, van 1522 tot 1536, veertien bange jaren lang, zuchten onder 't ijzeren juk van Kakel van Egmond, hertog van Gelder. Rust en verademing was er toen voor de Drenhenaren nageno: g niet, ook hoewelvan den over hen aangestelden drost, Johan

Sluiten