Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

da * oorvaderlijkc godsdienst men volkomen nas verzekerd. Door deze we" cn de leeken tot volharding, hij het oude geloof gebonden. Zich te doen kennen als hervormd of hervormingsgezind, was mitsdien niet mogelijk, zonder zich eenen gewcldadigen dood in de armen te voeren." Zie Magnin, Losse bladen uit Drenthe's geschiedenis, (Aas., 1856) bl. 27.

(16) Door ïpeï en Debmout, in hunne Aanteekeningen op de Gesch. der Ned. Herv. Kerk, [Breda, 1822] II, bl. 50 en, behalve nog door anderen, ook door Komeet, a. w., bl. 304, wordt te kennen gegeven, dat uitsluitend de naderende komst van Alva de reden was, waarom Altjno zyn evangeliearbeid te Sleen zoo spoedig weêr staakte. Ik geloof ook, dat die komst invloed op zijn besluit had, Sleen te verlaten en naar de Paltz terug te keeren; hij was werkelijk niet veilig meer in 't afgelegen Drenthsche dorp; Alva toch had een bevel tot gevangenneming tegen hem nitgevaardigd, en zijn gedienstige geesten waren hem reeds dicht op de hielen. Zoo verhaalt ook Emmius, 1. l., pag. 5 in de noot. Daarom echter staat zijn heengaan niet met een lafhartig vluchten gelijk. Ook uit Groningen vonden vele achtbare en hoog achtingswaardige mannen het raadzamer om dezelfde redenen de wijk naar Bremen, Oost-Friesland Bentheim, zelfs naar Genève te nemen, toen bij 't opsteken van den storm uit het Zuiden hun blijven in hunne vaderstad niet langer van dienst konde zijn, dan zonder noodzaak zich bloot te stellen aan levens gevaar. Had Calvltn zelfs niet gezegd: „Sors du pays de ta uativité, quand tu es contraint de faire contre ta conscience et ne pem vivre k la gloire de ten Dieu?

Maar bij Alting was echter zorg voor eigen lijfsbehoud niet de eenige of sterkste drangreden tot ziju vertrek uit Sleen. Ik heb den latijnschen brief voor mij liggen, hierboven in aanteek. 12* reeds aangehaald, en in 't werk van Emmius, bl. 185 enz. te vinden, door hem aan Heeman van Welvelöë in de maand October daarna geschreven. En uit dien brief worden wij gewaar, dat vooral ook de ervaring van zeer weinige vruchten op zijn werk, hem anderszins reeds genoopt zou hebben dien werkkring te verwisselen met een andere. Zoo schryft hij o. a.: „toen ik ten slotte bemerkte, dat ik bezig was den moriaan te schuren, d. i., dat al mijn moeite en vlijt vruchteloos was, en dat ik met al mijn zachtmoedigheid en langmoedigheid niet in staat was die sttenen harten te vermurwen

Sluiten