Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar dat ze integendeel van dag tot dag nog meer verhardden, toen begon mij al mijn moeite en arbeid te verdrieten, en kwam het mij tevens in de gedachte, dat ik geen kostbare paarlen langer voor de zwijnen moest werpen, of 't heilige den honden geven. Alzoo heb ik, eerder door de getuigenis der consciëntie, dan door de kwaadwilligheid der goddeloozen gedrongen, aan vluchten gedacht." Op wie deze alles behalve vleiende woorden van toepassing moeten gemaakt worden, is volstrekt niet raadselachtig, als wij hem vervolgens nog hooren zeggen: „om aan die onwetende menschen de zoiverheii mijns harten te toonen, heb ik uit eigen beweging, zonder eenige noodzakelijkheid, hun teruggegeven, wat ik van hen had ontvangen, niets meer verlangende, dan wat ze mij, naar den duur mijns verblijfs onder hen, schuldig waren. Maar eilieve 1 hoor eens, welken dank ik voor zoo veel weldoens inoogite: denzelfden dank dien onze Heer Jezus en al zijn apostelen steeds van een ondankbare wereld behaalden, haat, lastering, bedrog, wangunst, berooving van eer, listige aaüslagen op goeden naam en leven. Dat is der vromen lot in dit leven: en dat hebben ook mij inderdaad de Sleeners willen doen ondergaan. Daarom is het hun niet genoeg geweest, dat zij mij, toen ik bij hen was, op verschillende wijzen bedroefden, gelijk Petbus van de inwoners van Sodom verbaalt, die de ziel van den rechtvaardigen Loth door hunne schandelijke losbandigheid pijnigden, — nog daarenboven hebben zij gedurende mijn afwezigheid hunne roofzieke hand ook aan mijn achtergelaten goederen en eigendommen geslagen, tegen alle beloften en alle billijkheid in." En batuigt hij daarna nog: „gij moet niet meenen, edele heer, dat ik uit haat of toorn al deze dingen schrijf; in geenen deele; ik maak mij volstrekt niet boos op hen, terwijl ik mij integendeel om hunnentwil bedroef, zoo dikwijls mij de straf voor den geest komt, die op zulk een goddeloosheid staat te waehten. Want indien zij Chbistus kenden, dan hadden zij mij niet gehaat: en deze on. kunde is hunne diepste ellende," — dan hooren wij daarin den geest spreken van hem, die in der tijd zuchtende uitriep.- „o Jeruzalem, Jeruzalem, hoe dikwijls heb ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs eene hen hare kiekens vergadert onder hare vleugelen, maar gijlieden hebt niet gewild."

(17) De uitdrukking „winter der vervolgingen" :* genomen uit don.

Sluiten