Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mocht Hij naar Zijne ondoorgrondelijke wijsheid en den onnaspeurlijken rijkdom Zijner barmhartigheid, U, o HoogEerwaarde vergadering, daartoe nog willen gebruiken, als het middel in Zijne Almachtige hand. Gewis, wij hebben het allen verbeurdWij hebben gezondigd, wij en onze vaderen en hebben ons, door onze gezamenlijke schuld, die zegen onwaardig gemaakt. Maar, wie weet! Onze God is een barmhartig en genadig God,, die dit groote kwaad misschien nog van ons zal willen afwenden.

Och, of gij mocht kunnen besluiten, eer Uwe eind-beslissing wordt genomen, in dezen zoo grooten nood onzer kerk een algemeene boete- en bededag uit te schrijven, waarop het volk. des Heeren alomme in dezen lande het aangezicht zijns Gods in de heiligdommen mocht zoeken met verootmoediging en gebeden, om, kon het naar Zijnen eeuwigen Raad, de afwending van dat groote onheil der scheuring onzer Kerke van Hem af te smeeken.

Ten tweede vragen wij eerbiedig en met aandrang, dat er vooraf van de synode zelve nog een poging uitga, ter voorkoming der breuke Sions. Zij benoeme een kerkelijke commissie van drie leden, die geheel buiten het geding staan, om zich met de hoofden der kerkelijke bewegingen, die zich tot het treffen van een vergelijk niet ongeneigd betoonen, in aanraking te stellen. Men trachte aldus tot gezamenlijk overleg te geraken, waaruit straks een voorloopig vergelijk zou kunnen geboren worden, dat misschien tot bevredigende uitkomst zou leiden.

Er zoude kans van welslagen zijn voor een dergelijk pogen. En indien dit welslagen ook niet de uitkomst ware, zoude het pogen zelf op den drang van eigen concientie wijzen en ter bevrediging van die van vele anderen kunnen strekken.

De Heere onze God geve U ook in deze door den Heiligen Geest de noodige wijsheid en doe het alles strekken tot verheerlijking van Zijnen nooit volprezen Naam, tot heil der Kerke Christi en tot zegen voor ons arme volk.

(w.g.) PHIL. S. v. RONKEL, v. d. m. (w.g.) J. J. GROEN, ouderling.

Leiden, 24 November 1886.

Terwijl de opzieners in de Classis Dokkum, volgens een bericht uit Kollum in De Standaard, dd. 30 Nov. 1886, reeds een begin hadden gemaakt om in Kollum te doen wat „des Kerkeraads" was - alsof er geen geschikte personen in Kollum waren lag dit smeekschrift, door de Kerk van Augustinusga overgenomen, aan de voeten der Haagsche Synode.

Sluiten