Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE RECHTSBEVOEGDHEID DER PLAATSELIJKE KERK.

Reeds in de eerste eeuwen onzer jaartelling maakten de Christelijke Kerken op zichzelf staande rechtspersonen uit.

Tijdens de Reformatie bestonden de Kerken uit afzonderlijke, van elkander onafhankelijke groepen. Die der Westersche Kerken waren verbonden door erkenning van de pauselijke hiërarchie, mede door de wereldlijke overheid tot stand gekomen.

Bij verwerping dezer hiërarchie, traden de Kerken in een ander verband.

In ons land is tijdens vervolging der Kerken, zonder medewerking der overheid, alleen gedreven door goddelijk recht, een verband aanvaard, overeenkomstig de Heilige Schrift, dat zijn zuivere uitdrukking gevonden heeft in de Kerkenordening, gelijk die door opeenvolgende nationale Synoden is samengesteld en gewijzigd. In dat verband is de kerkeraad een college, dat, samengesteld: uit predikant, ouderlingen en diakenen, de gemeente vertegenwoordigt. Hoewel deze ambtsdragers gekozen worden door menschen, is naar de Gereformeerde belijdenis hun ambt zelf van Goddelijke inzetting.

Daardoor van nature geheel verschillend van het bestuur van een vereeniging, dat nooit anders vertegenwoordigt dan de wil der leden.

Een ambtsdrager kan verplicht zijn zich te plaatsen tegenover al de leden der gemeente.

Elke kerk is, als instituut, een volkomen geheel en van alle andere Kerken onafhankelijk.

Naar den eisch der Heilige Schrift onderhouden de Kerken verband en komen in classis en synoden bijeen.

De omvang van dit verband is in beginsel universeel.

De aard is, uit juridisch oogpunt beschouwd, contractueel.

Gods Woord, waaronder verstaan wordt de Heilige Schrift, is de eenige wet. Wie deze willens en wetens ter zijde stelt, is de facto vervallen van zijn ambt en in dat geval is kerkelijk verband niet meer geoorloofd.

Indien een kerkeraad zich aan het gezag van Gods Woord niet onderwerpt, zijn de leden verplicht zich tegenover haar te stellen. Dit kan onttrekking aan het Kerkverband tengevolge hebben, op normale en logisch-juridische gronden.

Dit kerkrecht ontstond en gold onafhankelijk van elke overheidsbemoeiing.

Sluiten