Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STOFFELIJK GERUÏNEERD.

In den loop der eeuwen hebben strijders voor de waarheid goederen bijéénvergaderd. Zoo zijn er allerlei kerkelijke en niet-kerkelijke stichtingen en vereenigingen ontstaan.

Het is plicht voor de beheerders dier goederen, om ze te bewaren voor de bestemming waarvoor ze gegeven zijn.

Moeten nu, bij wijziging van de gezindheid der gebruikers, de goederen in hun bezit blijven, of moeten deze het verband, waarvoor de goederen aanvankelijk bestemd waren, verlaten?

Men denke bijv. aan de reformatie der Kerken in de 16e eeuw.

Over deze vraag is in vorige eeuwen herhaaldelijk door de politieke machthebbers der wereld beslist. Deze oordeelden over de wijziging der gezindheid zelve en beslisten of deze iets nieuws, dan wel de voortzetting was van de oude, en naar deze uitspraak werden de goederen al of niet toegewezen.

Aangaande de goederen der Kerk te Augustinusga lag de beslissing geheel in handen van de rechterlijke macht.

Nu waren sinds 1816 door den loop der dingen bijna alle juristen bevooroordeeld geworden. Nooit had men iets anders voor oogen gehad dan een groot genootschap met een centraal geestelijk bestuur en ook tevens over haar heerschende. Vandaar dat velen een losmaking van de banden der Kerk met het genootschap een revolutionaire daad toescheen en het bestaande Kerkverband onverbreekbaar verklaarden, zoodat zij, wier geloofsovertuiging het samenwonen met allen verbiedt, alles moesten verlaten.'

Beter ware het geweest dat men de beslissing der wereldlijke macht niet had ingeroepen maar tot een minnelijke deeling was overgegaan.

Maar in Augustinusga heeft men den burgerlijken rechter laten beslissen. De Synodalen hebben direct het kerkgebouw voor zich opgeëischt, terwijl de Gereformeerden de pastorie vasthielden, aan wien ook het archief bleef.

Voor de Synodalen is gepleit door Mr. Hettinga Tromp te Leeuwarden, terwijl Jhr. Mr. W. H. de Savornin Lohman te Groningen de Gereformeerden bijstond.

Voor deze laatsten was de geldkwestie volstrekt geen hoofdzaak. De eere van Koning Jezus in Zijn Kerk was alles. Vandaar dat ze zich geroepen gevoelden ook hun recht, het recht der Gereformeerden, te handhaven. Al spoedig begonnen de rechtsgedingen, want Kerkvoogden weigerden het tractement van den predikant te betalen en dreigden met inhouding van gelden

Sluiten