Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Waarom tintelt blijdschap in onze zielen?

Omdat wij beiden niet als nieuwe mannen in een vreemd land de banier van Christus planten, maar elkander wedervonden als zonen van dezelfde vaderen, die eerst tezamen tegenover Rome hebben geworsteld en van Rome geleden, die, toen in Armijn nogmaals de zuivere belijdenis werd aangerand, na bange worsteling opnieuw de victorie hebben weggedragen en die als vrucht van dezen hunnen arbeid, de volste en diepste belijdenis van Gods vrijmachtige genade in de wereld hebben uitgeroepen.

Er is nog meer, dat ons samenbindt.

De belijdenis der gemeenschappelijke schuld der andere vaderen, die daarna zijn gekomen, en van wat wij aan de schuld van déze vaderen hebben toegevoegd. Hoe spoedig is in de Kerk het rijkste pand uit het oog verloren, het fijne goud verdonkerd ! De hoogmoed der menschelijke geleerdheid, het Pelagianisme en het toegeven aan wereldzin, de Kerken onzer vaderen doen dalen in levenskracht en kracht des geloofs...! In rechtvaardige oordeelen kwam God toen over onze heilige erve, en Hij zond in toorne vreemde machten en vijandige autoriteiten, om Zijn eens zoo heerlijke Kerken te kastijden. En waar nu in onze kringen door Gods genade weer een opleven kwam, daar was dit niet uit ons, maar het was God, de Driemaal Heilige, die ons het bloed des Verbonds in het heilig zaad een steunsel liet.

In Uwe kringen het eerst den Heiligen Geest laten ruischen; en toen wij dit hoorden en ook wel iets gevoelden van dit werk Gods in Uwe concientiën, doch zonder alsnog zelf op te waken, heeft Hij over ons uitgegoten een geest van nog dieperen slaap, totdat het Hem beliefde in het eind ook ons te wekken, wier schuld langer was doorgegaan, maar die Hij dan nu ook te plotselinger en te talrijker deed opstaan.

Van dat oogenblik af keerde in ons gemoed het bewustzijn weder, dat wij stonden niet meer tegen u, maar naast u. Vroeger hadden wij wel waardeering voor uw kloekheid en sympathie van uw moed; doch wij betreurden uw uitgaan en meenden nog altijd, dat uw scheiden onze kracht had verminderd. Doch nu verstonden wij, dat breken met de besturen noodig was; dat gij door juister inzicht waart geleid dan wij, waar wij nog op hope tegen hope worstelden zonder te willen breken.

Toen zagen wij het: Gods Geest had u in 1834 geprikkeld tot een daad, waartoe ook wij ten slotte moesten komen, toen ook voor ons het oogenblik van breken en van handelen aanbrak . .

Aan Nederland schonk God een gave Zijner genade, en in die gave de hooge roeping, om van Nederland uit, ook bij andere natiën de zuivere banier van Zijn volle waarheid weer op te richten.

En toen, met dat breede vergezicht vóór ons, werden de

Sluiten